Wil ik wel groeien? (Dagboek - november) PDF Afdrukken
Geschreven door Redactie   
zaterdag, 25 oktober 2014 13:32

Een heel jaar hebben we het met elkaar over groeien. Groeien in geloof, groeien in gemeenschap, groeien als leerling. Maar wilt u, wil jij wel groeien? Rond dat thema is een aantal korte overdenkingen geschreven. Om in deze maand te lezen aan tafel, om over na te denken, of te bespreken op een vergadering. Er is ook een bijbelstudie, die in de gespreksgroep besproken kan worden, of die u natuurlijk ook voor u zelf kunt doen.
(Voor het materiaal voor deze overdenkingen, en de bijbelstudies, hebben we dankbaar gebruik gemaakt van het materiaal van ds. L-H. Kooij, predikant van de Voorhof in Nieuwleusen. )

Dag 1

Lezen: Mattheus 28: 16 – 20

Elf leerlingen van Jezus, gaan naar Galilea. Daar waar het Licht het eerst geschenen heeft, waar Jezus zijn leerlingen onderwezen heeft, ontmoeten ze hem op zijn bevel weer op een berg. Wanneer ze hem zien, vallen ze in aanbidding voor hem neer, al twijfelen enkelen nog. Jezus wil ook die twijfel wegnemen door met hen te spreken. Hij komt naar hen toe en neemt elke afstand weg. Er wordt niet meer gesproken over hun wegvluchten bij zijn gevangenneming of over de verloochening van Petrus. Jezus kijkt niet achterom, maar wil met hen verder.

De opdracht die ze van Jezus krijgen wordt gedragen door hemzelf. Aan hem is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Tijdens zijn leven op aarde bezat Jezus al de macht over ziekte, wind en water, demonen en dood. Hij gebruikte die macht niet bij zijn eigen lijden en sterven, maar Hij bleef die wel houden en overwon de dood.

Deze Jezus moet verkondigd worden in de hele wereld. De opdracht van zijn leerlingen wordt uitgebreid van Israël naar alle volken. Alle volken moeten leerlingen van Jezus worden, volgelingen van Hem. Leerling van Jezus wordt je wanneer je ‘ja’  zegt op zijn leer en leven. Dat kan door je te laten dopen, of belijdenis te doen bijvoorbeeld. Jezus vraagt of je zo wilt leven, zoals hij geleefd zou hebben als hij in jouw schoenen stond. Jezus vraagt een leven dat Hem waardig is. Daar hoort bij dat je over hem praat en hem laat zien in deze wereld. Dat is de opdracht die hij zijn leerlingen overal en altijd geeft.

Vraag: Hoe ben je met deze opdracht bezig?

Gebed: God, leer mij een instrument in uw hand te zijn. Amen.

Dag 2

Lezen: Lucas 6: 12 – 19

We kunnen rustig aannemen dat het werk van Jezus zwaar was. Hij predikte het goede nieuws van Gods Koninkrijk en genas de zieken. Daarbij komt nog dat hij steeds in conflict leefde met de schriftgeleerden en Farizeeën. Hij maakte vermoeiende dagen. ’s Nachts kon hij tot rust komen. Maar ook dan zien we hem soms bezig met zijn werk. Als iedereen slaapt, heeft hij de tijd om zich rustig terug te trekken voor het zo nodige contact met zijn hemelse Vader. Jezus wil zijn werk niet doen zonder hem. Daarom zien we dat hij soms de zo noodzakelijke uurtjes slaap inwisselt voor het zo nodige gebed. Zo kon Jezus doen wat hij moest doen.

Een van Jezus’ belangrijkste beslissingen was het uitkiezen van de twaalf apostelen. Het getal 12 wijst op de twaalf stammen van Israël. We lezen dat Jezus veel discipelen, leerlingen had. Uit dat getal koos hij er twaalf uit om zijn apostelen te worden. Het woord ‘apostel’  betekent: gezondene. Gezonden zijn houdt in dat je de toestemming hebt om namens de zender te spreken en te handelen. Een gezondene moet dus zijn heer goed kunnen vertegenwoordigen. Je kunt je voorstellen dat Jezus in gebed zijn volgelingen aan zijn Vader heeft voorgesteld om hem te laten uitkiezen.

Voordat de twaalf apostelen er op uit worden gestuurd, moeten ze ‘naar school’. Ze moeten de praktijkschool van Jezus volgen. Horen en zien wat hij doet.

Jezus maakt gebruik van gewone mensen. Maar hij geeft hun wel eerst een training voor dat hij ze uitzendt. En dat niet alleen, hij vraagt God ook met zijn leerlingen, met de apostelen te zijn. Want Jezus weet als geen ander dat je alleen een apostel of leerling kunt zijn, als God met je is.

Vraag: Wat zou jij van Jezus willen leren?

Gebed: God, ik dank U dat ik bij U op school mag zitten. Leid mij verder op voor mijn leven in dienst van U. ... Amen.

Dag 3 - Steunzenders

Lezen: Lucas 9: 1-9

Overal in ons land zie je steunzenders staan: radio- of tv zenders die tot ondersteuning dienen voor de ontvangst op grote afstand van de hoofdzender. Tot in alle uithoeken moeten de uitzendingen zonder storing te horen en te zien zijn. 

Jezus kon maar op één plaats tegelijk zijn. Zijn actieradius was beperkt. Hij vergroot deze nu door zijn twaalf  discipelen uit te zenden. Hij is de hoofdzender, zij zijn zijn steunzenders. Ook in de verste dorpjes, verscholen in het heuvelland van Galiliea, moet Gods verlossingsprogramma goed ontvangen worden (vs 1,2). Hierbij mogen geen storingen optreden. De mensen moeten Jezus puur in beeld krijgen. Dan kunnen ze hem aan het woord laten in hun leven, of ze kunnen hem laten praten.

In de grootst mogelijke eenvoud en soberheid moeten de twaalf op pad gaan. Ze moeten op reis gaan in het geloof dat God zelf in hun behoeften zal voorzien en alleen maar bezig zijn met de verkondiging van het Goede Nieuws (vs 3,4).

Bij het verlaten van een heidens land veegde de Jood het stof van zijn voeten om het land Israël niet te verontreinigen. In vers 5 moeten Jezus’ twaalf leerlingen met dit gebaar op demonstratieve wijze het contact met hun volksgenoten verbreken wanneer die niet willen ingaan op het Goede Nieuws. Als wij Jezus nauwkeurig en waarheidsgetrouw aan anderen hebben verkondigd en onze boodschap wordt vervolgens afgewezen, is dat niet onze schuld. Net als de twaalf moeten wij dan verder trekken.

Jezus krijgt een naam. Niet alleen door wat hij doet, maar ook door wat zijn apostelen doen. Herodes Antipas hoort alles wat er gebeurt en weet niet wat hij ervan moet denken. Verontrust over Jezus’ optreden wil hij hem ontmoeten. Niet uit geloof, eerder uit nieuwsgierigheid (vs 7-9). Maar Jezus wil geen nieuwsgierigheid, maar geloof in hem.

Vraag: Op welke manieren vertel jij als ‘steunzender’ het verhaal van Jezus verder?

Gebed: Heer Jezus, ik dank U dat ik een gezant van U mag zijn. Namens U mag ik de mensen vragen; ‘Laat u met God verzoenen.’ ... Amen.

Dag 4

Lezen: Lucas 5: 1 – 11

Tot in hoofdstuk 5 vindt je in het evangelie van Lucas het woord discipel of leerling niet. Petrus is nog gewoon Simon en visser van beroep. Jezus is al in andere streken geweest en heeft zelfs al in de synagogen van Judea gepredikt (Lucas 4: 43,44). Of Petrus, Jakobus en Johannes daarbij waren, vermeldt Lucas niet, maar we lazen net dat ze hier, in Galilea, op het meer van Gennesaret, weer gevist hebben.

De hele nacht hebben ze hard gewerkt, maar niets gevangen. Jezus mag één van de schepen als podium gebruiken om te spreken. Daarna is het tijd voor een kleine klus ‘effectief vissen’. Jezus gaat daarbij in tegen alle viswetten. Als je overdag wilt vissen, doe je dat in ondiep water, nooit midden op het meer! Maar naar iemand die je schoonmoeder op zo’n wonderlijke manier heeft beter gemaakt, luister je wel. Jezus’ woord heeft gezag in Petrus’ leven. En dus gaat Petrus met de boot verder het water op.

Met Jezus gaan vissen is niet ongevaarlijk. Het is slecht voor je netten en riskant voor je schepen. Het is dus ook niet altijd goed voor je eigenwaarde. Petrus komt in elk geval tot de conclusie dat hij een zondig mens is. Het middagje vissen heeft nog een ander gevolg: drie mannen zeggen hun baan op, laten alles achter en worden volgelingen van Jezus. Ze beginnen aan een onzeker bestaan, zonder vaste woon- of verblijfplaats. Ze zullen net als hun Meester mensen gaan vangen.

Jezus heeft nog steeds medewerkers nodig. Ze hoeven niet volmaakt te zijn. Als ze hem liefhebben en bereid zijn te doen wat hij zegt, dan zijn ze bruikbaar. De arbeidsomstandigheden zijn misschien niet altijd even ideaal, maar de pensioenregeling is uitstekend...!

Vraag: Voor welk aspect van het volgen van Jezus ben jij bang?

Gebed: Heer Jezus, leer mij te doen wat U zegt. ... Amen.

Dag 5 - Kruis

Lezen: Lucas 9: 18 – 27

‘Elk huisje heeft zijn kruisje’, luidt het spreek woord. Daarmee bedoelen we dat er overal wel wat is. En dan moet je het maar nemen zoals het komt.

Toch is dat niet wat Jezus in vs. 23 bedoelt met ‘dagelijks zijn kruis op zich nemen’. In de verzen 24 t/m 26 heeft hij het over twee soorten mensen: mensen die hem volgen en mensen die dat niet doen. Wie hem volgt verloochent zich zelf, neemt dagelijks zijn kruis op zich en heeft zijn leven verloren. Wie hem niet volgt, wil zijn leven behouden, wint de hele wereld en schaamt zich voor hem en zijn woorden.

Wat is ‘jezelf verloochenen’? We moeten hierbij denken aan wat Petrus met Jezus deed toen Jezus vanuit Getsemané naar het huis van de hogepriester gebracht was: daar verloochende hij Jezus driemaal. Driemaal beweerde Petrus bij hoog en bij laag dat hij Jezus niet kende. Zo willen wij ons leven niet kennen. Onszelf verloochenen is dat we niets te maken willen hebben met onszelf. We laten ons niet leiden door onze eigen gedachten, onze eigen gevoelens, onze eigen plannen.

En dat is nu dagelijks ons kruis op ons nemen. Het is onszelf ‘naar Golgotha’ brengen en daar ophangen. Wij denken bij ‘kruis’ aan iets negatiefs: némen wat we niet graag willen. ‘Elk huisje heeft zijn kruisje.’ En dan moeten we het maar nemen zoals het komt. Jezus bedoelt met ‘kruis’  iets positiefs: géven waar we aan gehecht zijn. Ons niet laten leiden door onze eigen gevoelens, onze eigen gedachten, onze eigen plannen, maar zeggen: ‘Vader, laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat U wilt.’ Dat is jezelf verloochenen: geven waar je aan gehecht bent.

Vraag: Wat staat er bij jou in de weg om jezelf te verloochenen?

Gebed: Heer Jezus, U bent mijn Meester. Ik wil U gehoorzamen in mijn gedachten, woorden en daden. ... Amen

Dag 6 - Wie vast geworteld staat, zal niet meewaaien!

Lezen: Psalm 1: 1-3

Deze psalm beschrijft twee soorten mensen. De ene soort laat zijn leven niet beïnvloeden door zijn omgeving, maar door Gods Wet, de Tora (vs 1, 2). De andere soort wil God niet kennen.

Deze tweede groep, de ‘wettelozen’  zijn als kaf (vs. 4). Op de dorsvloer werd het kaf van het koren gescheiden door het omhoog te gooien. De wind blies dan het lichtere kaf weg, terwijl het zwaardere koren neerviel. Vers 1 omschrijft dit meewaaigedrag in drie stadia. ‘meegaan met wie kwaad doen’ is je levensstijl aanpassen aan mensen die los van God staan. Met ‘de weg van de zondaars betreden’ en ‘bij spotters aan tafel zitten’ is hetzelfde bedoeld. Maar het wordt steeds passiever: meegaan, betreden, zitten. De mens die ‘gelukkig’ genoemd wordt, is niet passief en waait niet mee. Hij heeft vreugde gevonden in Gods onderricht.

Met een prachtig beeld laat vers 3 zien hoe een rechtvaardige is: hij is als een boom aan het water. Steeds heeft hij de beschikking over genoeg voedsel. Op zijn tijd geeft hij zijn vrucht. Geen beeld dat snelle successen bij ons oproept. Wat dat betreft kan het leven van een goddeloze er veel flitsender uitzien.  Je kunt jaloers zijn op het gemak waarmee hij leeft, op de snelle manier waarop hij carrière maakt. Voor wie het niet zo nauw neemt met Gods woord ligt de wereld open, lijkt het wel. Alleen, net zo snel als de ster is opgekomen, zal hij weer verzinken (vs. 4 -6). Maar de rechtvaardige blijft. Als de goddeloze al lang is vergaan, geeft de rechtvaardige nog steeds zijn vrucht. Daarom is de rechtvaardige te feliciteren.

Vers 3 eindigt met; ‘Alles wat hij doet, komt tot bloei’. Wat bedoelt de psalmist daarmee? Dit herkennen we niet in ons leven. Sterker nog: we hoeven niet ver terug te bladeren in de Bijbel om over Job te lezen. Hij leefde naar Gods wil, maar zijn leven was bepaald niet een aaneenschakeling van successen. Waar slaat dit vers dan op?

Daarvoor moeten we kijken naar wat de rechtvaardige allemaal doet. Hij verdiept zich in  Gods wet en vindt daarin zijn vreugde. Meer wordt er niet genoemd; dit is kennelijk alles wat hij doet. En dat lukt! Wie zijn vreugde zoekt in wat de Here wil, zal daarin vreugde vinden. Meer dan dat hebben we niet nodig (Mattheus 4:4).

Vraag: Hoe geef jij invulling aan wat in vers 2 staat?

Gebed: Here, ik wil vreugde vinden in U alleen. U bent de Bron van levend water. ... Amen.

Dag 7

Lezen: Daniel 4:7-14

Iedereen droomt wel eens van de toekomst. Boeken vol zijn er geschreven hoe je de beelden die je in zo’n droom dan ziet, moet duiden. Koning Nebukadnezar droomt ook over zijn toekomst. En hij heeft geen boek, maar Daniël om te vertellen wat zijn droom betekent. De mooie boom is de koning zelf, die steeds sterker is geworden. Hij is steeds machtiger geworden en alleen maar gegroeid. Aan die groei komt echte reen abrupt einde. De koning zal van zijn troon gestoten worden: hij wordt omgehakt en zal gras eten, net als de dieren. Hij zal niet meer lijken op wat hij was.

Het is het schrikbeeld van iedereen: dat wat je zorgvuldig hebt opgebouwd, wordt met een klap afgebroken. Sommige mensen maken het mee. Ineens is het bedrijf waarvoor ze keihard gewerkt hebben failliet, of overlijd de mens met wie ze voor altijd hun leven dachten te delen. Maar bij koning Nebukadnezar is er nog iets anders in het spel. Daar is het een engel die zorgt dat het zo misloopt. Of eigenlijk niet de engel, dat is degene die de boom omhakt. Maar de koning zelf zorgt ervoor dat het zover komt. Zijn gedrag blijft niet zonder gevolgen. Dat maakt het verhaal duidelijk. De koning was bezig om alleen maar rijker en machtiger te worden. En daarmee werkte hij aan zijn eigen ondergang, zo vertelt die droom hem. De boom groeide tot in de hemel….. Maar uiteindelijk vergat hij wie er in die hemel woonde, vergat hij wie die aarde had gemaakt waarin ook hij als koning zijn wortels had. Nebukadnezar vergat God. En daarmee hadden zijn wortels geen houvast meer, en was er niets meer om naar de hemel te reiken. Nebukadnezar stortte in. Hij kreeg zeven magere jaren, waarin hij leefde als een dier. Totdat hij erkende wie God was.

Vraag: Waar wortel jij in?

Gebed: God,  leer mij mezelf niet hoger te achten dan U. Amen.

Dag 8

Lezen: Rechters 9: 7-15

De beroemde Gideon uit de Bijbel had een zoon: Abimelech. ‘Mijn vader is koning’ betekent zijn naam. Gideon was helemaal geen koning, maar de naam van zijn zoon sprak uit wat hij het liefste wilde: koning zijn. Gideon lukte het niet, maar Abimelech doet een serieuze poging. Zijn zoon Jotam wil de mensen echter waarschuwen: weet waar je aan begint als je aan een koning begint. Je kunt je verhaal rechtstreeks vertellen, maar Jotam kiest ervoor om dat in de vorm van een fabel te doen.

Een verhaaltje over een aantal bomen. De bomen worden benaderd om koning te zijn. Achtereenvolgens vragen ze de olijf, de vijg en de wijnstok, die helemaal geen boom is. Maar allemaal doen ze liever iets nuttigs dan dat ze koning worden. Ze belanden uiteindelijk bij de brand-gevaarlijke doornstruik. Die wil het maar wat graag worden. Hij belooft de andere bomen schaduw. Klinkt mooi, maar je snapt natuurlijk wel dat dat loze beloftes zijn. Een doornstruik kruipt onder de bomen door, en kan ze nooit schaduw bieden. Bovendien prikt alles en iedereen zich aan hem. Maar zoals het vaker gaat: men is allang blij dat iemand het wil doen.

En zo wordt de doornstruik koning. En zo gaat het ook in het boek Rechters. Abimelech wordt koning. Maar precies als die doornstruik uit de fabel die zijn zoon vertelde, blijken Abimelech’s beloftes niets waard. Het was om in het gevlei te komen dat hij ze deed. Maar uiteindelijk zorgt hij voor niemand goed, behalve voor zichzelf.

Zo gaat het vaker met mensen die de macht net iets te graag willen. Ze vergeten waar ze goed in zijn, iets wat die andere bomen die bedankten voor de eer van het koningschap, nog wel wisten. Abimelech was koning voor zichzelf, als een doornstruik. En dat was God een doorn in het oog.

Want een echte koning, die is koning voor anderen. In de bijbel is er maar een die dat ideaal uiteindelijk verwezenlijkt, en dat is Christus, de koning voor iedereen die gekroond met een doornenkroon bleef kiezen voor anderen, in plaats van voor zichzelf. Dat kenmerkt een echte koning.

Vraag: Hoe kun jij je in eigen leven als een koning naar Gods hart gedragen?

Gebed: God, dank voor Christus, onze koning. Amen.