Een onzichtbare mantel van hoop PDF Afdrukken
Geschreven door Rianne van Halsema   
dinsdag, 23 november 2010 22:19

Ik las ergens een gedicht. Het bleef haken. Maar wat, dat was me niet direct duidelijk. Het gedicht riep van alles bij me op. Maar waar het over gaat? Dat is in dit geval niet zo eenvoudig, je moet het een paar keer doorlezen. En dan nog. Toch dringt zich een betekenis op nu het binnenkort weer advent gaat worden.
Het betreffende gedicht is van Toon Tellegen en gaat als volgt:

Er lopen heiligen op straat
Ze zijn te herkennen aan hun onopvallendheid,
aan hun onzichtbare mantels van een oneindige kostbaarheid
die losjes om hen heen wapperen,
en aan hun verdriet.

Als we ze tegenkomen lopen we ze voorbij.
Maar we horen iets ruisen.
Als we omkijken zien we dat ze zich losmaken van de andere mensen,
hun pas versnellen, zijstraten inslaan.
Overal staan mensen stil en kijken om.

We moeten nu zelf een zijstraat inslaan,
maar we durven niet,

zo raken we steeds verder van huis,
we zullen spoedig verdwalen,

zo zullen we elkaar ontmoeten, in de regen,
in de nacht.

Heiligen. In de bijbel zijn dat geen mensen die nooit iets fout doen. Ze hebben alleen iets gehoord, dat hen sindsdien niet meer loslaat. Ze hebben er last van ook. Maar er zit niets anders op: ze moeten er iets mee doen. Heiligen zijn mensen die ter zijde zijn genomen, noem het door een goddelijke Stem. Het zijn mensen van wie iets verwacht wordt. Ze moeten er iets mee.

En dat allemaal te midden van het gewone leven: ze lopen op straat. Je herkent ze niet aan een vroom gelaat, je herkent ze aan hun onopvallendheid. Iedereen kan dus een heilige zijn. Maar zo gewoon als zo’n heilige is, zo gaat er ook iets ‘oneindig kostbaars’ van hem of haar uit. Al is die kostbaarheid niet echt te zien: een mantel, maar onzichtbaar. Of is dat kostbare toch zichtbaar? Want die heiligen blijken te herkennen aan hun verdriet. Heiligen zijn gewone mensen, ze leven als elk ander. Alleen, er is ook dat verdriet. Ze sluiten hun ogen niet voor het verdriet van de wereld. De cultuur waarin wij leven doet dat liever wel. De decembermaand gaat daar helemaal in mee, ook in kerken moet het dan gezellig worden. Heiligen herken je aan hun verdriet, zij weten dat er over onze wereld nog een heel ànder verhaal te vertellen valt. Het is het verhaal dat zich in de zijstraten afspeelt. We moeten daarvoor de straten waar we spullen kopen verlaten. In de zijstraten kom je de mensen tegen die niet mee konden komen. Armen met schulden, mensen die het psychisch niet kunnen bijbenen, kinderen die niet weerbaar zijn, ouderen die niet snel meer zijn. Mensen kortom, voor wie de eisen van onze cultuur te hoog zijn. Dàt is het verdriet van de heiligen. Zij hebben de Stem gehoord en sindsdien kunnen ze dit verdriet niet meer vergeten. Sindsdien kunnen zij niet anders dan zich losmaken van de cultuur van de hoofdstraten en zijstraten inslaan.

Op dat moment trouwens gebeurt er wèl iets hoopvols! Want àndere mensen staan stil en kijken om. Blijkbaar maken die heiligen bij het publiek iets los: ‘We moeten nu zelf een zijstraat inslaan’. Er klinken ook klanken als: ‘verder van huis’, en van ‘verdwalen’. Sinds die heiligen zijstraten ingingen, vragen anderen zich af waar hun eigenlijke thuis is, of zich dat eigenlijk niet in die zijstraten bevindt.
Dat is hoopvol, er is iets gezaaid! Maar het is nog nacht. Het regent, de hemel doet ook al mee, ze regent het verdriet van die heiligen. Nacht en regen, daar eindigt het gedicht mee.

En toch beluister ik hoop tussen de regels door. Die heiligen met hun verdriet en de hemel die met hen weent, maakt mensen onrustig, mensen ontmóeten elkaar dan toch in die nacht en regen, misschien stellen ze elkaar een vraag, wie weet: “Hemel, laat gerechtigheid neerregenen, laat haar neerstromen uit de wolken, en laat de aarde zich openen”. Naar de heilige Jesaja (45:8). Straks regent het geen verdriet meer, alleen nog gerechtigheid. Dat zijn adventstonen.
Die heiligen met hun verdriet, hoe zij anderen doen stilstaan en hen naar de zijstraten trekken, voor mij hebben zij een onzichtbare mantel van hoop om zich heen: een ander, echter leven gaat onstuitbaar tòch doorbreken.

Eén keer al is het voluit gezien, ook toen gewoon op straat: in het leven van Jezus van Nazareth. En al viel ook hij niet op - een kind slechts in een voederbak- sinds het kerstkind is dat nooit meer opgehouden: dat mensen stilstaan en omkijken. Zoals Paulus later zal zeggen: tenslòtte zal het zwakke het sterke beschamen. Als dat niet vol van hoop is! 

Rianne van Halsema
november 2010