Kerk kroniek - deel 41 - Dominee C. Kamper heeft het beroep naar Bleiswijk aangenomen
Geschreven door Henk de Bruin   

Het is oktober 1947; we kunnen concluderen dat het beroepen van de predikant boven verwachting voorspoedig is verlopen en de Gereformeerde Kerk van Bleiswijk is natuurlijk verheugd binnen korte tijd weer een nieuwe predikant in hun midden te hebben. De scriba schrijft op 30 augustus 1947: ''Ingekomen van de classis Meppel en de kerkenraad van Pesse, de acte van ontslag waarop, op de meest eervolle wijze aan Ds. C. Kamper van Pesse als Dienaar des Woord ontslag is verleend. Welk ontslag ingaan zal op 18 oktober a.s. als zijnde de dag waarop zijn Eerwaarde zich ten volle verbinden zal als Dienaar des Woord aan de kerk van Bleiswijk. Dit ontslag en deze verklaring is verleend in duplo, opdat deze stukken volgens art: 5 en 10 van de kerkorde hem bij de Gereformeerde Kerk van Bleiswijk en de classis Rotterdam mogen dienen als wettelijke getuigenis van zijn afscheid van de kerk van Pesse en de classis Meppel. En als een goede attestatie van leer en leven, hem dankende voor zijn trouwe dienst welke in dankbare herinnering zal blijven''

Op 26 oktober 1947 is dominee C. Kamper in Bleiswijk bevestigd (door dominee D. Streefkerk? van Berkel en Rodenrijs). Tot zover de beschrijving van de beroepingsprocedure zoals in die jaren gebruikelijk was. In het vorige stukje heb ik geschreven hoe het gesteld was met de huisvesting voor de nieuwe predikant, nieuwbouw of renovatie van de oude pastorie. Er is toen met algemene stemmen besloten om te renoveren, omdat het niet alleen financieel goed uitkwam, maar ook de tijdsduur beter in de lijn der verwachting lag. Voor nieuwbouw ± een jaar, voor restauratie enkele maanden, en bij evt. tegenvallers hooguit een halfjaar.

Geen pastorie, wel een behoorlijke misrekening

Natuurlijk wist dominee Kamper, dat hij en zijn vrouw (er waren nog geen kinderen) i.v.m. de pastorie omstandigheden, een zo kort mogelijke durende alternatieve huisvesting aangeboden zouden krijgen, daar is zeker voldoende overleg over geweest. Maar uit onderstaande zal blijken dat de kerkenraad en daardoor ook dominee Kamper en zijn vrouw met een behoorlijke misrekening te maken kreeg. Omdat er op zo’n korte termijn weer een predikant bevestig kon worden (de vacante periode duurde slechts 4½ maand) moest de kerkenraad naarstig op zoek naar vervangende huisvesting. Op een grote moderne boerderij zou daar wel een mogelijkheid voor bestaan. De  predikant was daar polshoogte wezen nemen en liet per brief weten dat deze mogelijkheid om verschillende redenen niet naar genoegen was. De scriba schrijft: ''Ingekomen een schrijven van onze beroepen predikant Ds. C. Kamper waarin zijn Eerwaarde zijn bezwaren te kennen geeft  om bij de bewoonster op de genoemde boerderij zijn intrek te nemen om reden dat de centrale verwarming niet gebruikt kan worden daar er geen kolen voor zijn. En er maar één kamer verwarmd kan worden en er daarom ook geen gelegenheid voor studeren is, en hij dan ook geen bezoek kan ontvangen en verzoekt de kerkenraad daarom naar een andere mogelijkheid uit te zien!'' Die andere mogelijkheid werd snel geboden! ''De scriba deelde mede dat broeder C.J. B. bereid gevonden is om het predikanten echtpaar op zijn boerderij tijdelijk te huisvesten en dominee Kamper is hiermede in kennis is gesteld. Zijn Eerwaarde heeft hierop geschreven dat hij met dankbaarheid hiervan gebruik wenst te maken en dat nu de intrede op 26 Oktober 1947 door kan gaan!'' Het zou immers toch maar voor korte duur zijn, was de verwachting. Aan een verhuisbedrijf in Rotterdam werd de opdracht gegeven om dominee en mevrouw Kamper voor de som van f 225,- te verhuizen. Tot zover zijn beide partijen tevreden en is er geen vuiltje aan de lucht zo lijkt het en is alles binnen de redelijkheid verlopen.

Alles was en bleef vruchteloos

Maar er dienden zich nog totaal andere onverwachte problemen aan. Om de pastorie te renoveren waren de kosten hiervan begroot op f 12000,- maar niemand - en dat geldt ook voor de beide aannemers - hadden zich laten informeren hoe het met de vergunning voor de renovatie gesteld was. Men was er gewoon vanuit gegaan dat voor verbouwen binnen de bestaande muren geen vergunning nodig was. Hier kreeg de afd. Bouw en woningtoezicht - in die jaren ''de wederopbouw'' genoemd - van de burgerlijke gemeente, 'lucht' van. En terwijl de renovatie al in volle gang was kwamen de ambtenaren van de gemeente even inspecteren en die vonden het vanzelfsprekend niet goed. Want voor een bouwsom boven de f 500,- gulden was wel degelijk een vergunning en ook nog een officiële tekening van een erkend architectenbureau nodig en daar was dus niet aan voldaan. De scriba schrijft vervolgens: ''Nadat de werkzaamheden in de pastorie geïnspecteerd waren, werd er in het gemeentehuis een vergadering belegt waar de praesis en de scriba niet bij mochten zijn. In deze vergadering werd besloten om het kantongerecht te Gouda in kennis te stellen dat de kerkenraad in overtreding van de wet was, vanwege vergunning en tekening''. Alles moest alsnog geregeld worden volgens de richtlijnen van de wet, welke in die jaren van noodzakelijk waren. De kerkenraad heeft hierna nog geprobeerd om de heren van ''de wederopbouw'' op andere gedachten te brengen. En te wijzen op het moeilijke van de situatie vanwege de tijdsdruk en het alternatieve onderkomen van het predikanten echtpaar, maar de ambtenaren wilden van geen pardon of verzachtende omstandigheden weten. "Alles was en bleef vruchteloos" liet de scriba daarop verzuchtend uit zijn pen vloeien. Maar ja, we weten het allemaal 'Wanneer hadden komt, is hebben te laat'; het spreekwoord is daar ook nu nog steeds overduidelijk in, maar was toen zeker ook wel erg pijnlijk van toepassing.

Henk de Bruin