Kerk kroniek - deel 39 - Van boze kosters en inleveren van de kerksleutels
Geschreven door Henk de Bruin   

Onverwarmde studeerkamer en geen trouwbijbels.

We schrijven 1946, de oorlog is voorbij, alles wordt weer een beetje genormaliseerd en Nederland kan de balans opmaken van 5 jaar rampspoed en ellende. Mensen die de verkeerde keuzes hadden gemaakt waren inmiddels opgepakt en kregen een gevangenisstraf of nog erger en werden terechtgesteld. Ook in Bleiswijk waren personen die voor een korte of langere gevangenisstraf in 'aanmerking' kwamen en de kerkenraad kreeg hier ook mee te maken. Een moeder schreef een brief met de vraag of de kerkenraad een vraag om clementie wilde indienen voor haar zoon die i.v.m. collaboratie met de vijand nu in de gevarenzone kwam. Waarschijnlijk zeer teleurstellend voor deze mevrouw, moest de kerkenraad haar laten weten hier om begrijpelijke redenen niet aan te kunnen voldoen. Achteraf bleek een en ander niet heel ernstig te zijn en kwam deze persoon er met een korte gevangenisstraf van af.

Opvallend is wel dat de saamhorigheid na zo’n moeilijke periode weer toeneemt en veel bezwaren op allerlei gebied vallen dan even weg of worden opzij gezet. Men heeft elkaar echt weer nodig bij veel zaken en de wederopbouw vraagt dan natuurlijk ook de nodige samenwerking. Talrijke spullen waren schaars of helemaal nog niet te krijgen. Alles was daardoor nog gedistribueerd; de scriba schrijft: “Van het Rijks kolenbureau heeft de praesis de mededeling ontvangen dat deze winterperiode nog geen kolen voor de studeerkamer beschikbaar worden gesteld!”. Zo was er ook een enorm tekort aan papier waardoor er geen trouwbijbels meer voorhanden waren. Al vanaf 1942 mochten er van de Duitse bezetter geen bijbels meer gedrukt worden. Een inhaalslag in deze zat er dus voorlopig niet in. De enige oplossing was om de predikant van de hervormde kerk, dominee Jongebreur te benaderen en te vragen of het mogelijk zou zijn om voorlopig bij hun een paar bijbels te kunnen lenen. Er was in de oorlog een vorm van (nood-) gedwongen samenwerking tussen de beide kerken ontstaan en de beide predikanten waren daardoor elkaar met meer respect gaan waarderen, zodoende was er nu reden genoeg om bij bepaalde zaken ook samen te overleggen over het hoe en wat. Men kon dus met enige zekerheid vaststellen dat er een vertrouwensrelatie was ontstaan.

Predikanten met toekomstvisie “Samen op weg”

Maar ook landelijk was er een verlangen naar eenwording, mogelijk ook aangemoedigd door de euforie wat natuurlijk alom heerste. De scriba schrijft op 5 januari 1946: “De praesis leest een schrijven voor; ondertekend door een aantal Ned. Herv en Geref predikanten waarin aangedrongen wordt op toenadering en eenwording van Ned Hervormden en Gereformeerden en wordt met instemming beluisterd!” Op zich natuurlijk een loffelijk streven en zo te zien was dit het eerste begin om “samen op weg” te gaan. Maar niemand van de predikanten zal zich toen gerealiseerd hebben dat er nog héél veel hobbels genomen moesten worden en dat het daarom nog wel eens heel lang (tot 1 mei 2004 bijna 60 jaar) zou gaan duren voordat de eerste tekenen in de praktijk zichtbaar zouden zijn.

Maar zoals gezegd/geschreven, na alle ellende van de oorlogsjaren was men van goede wil en zag men graag veel verandering en in hoofdzaak verbetering van vele dingen. Zo werd er een vereniging opgericht voor instandhouding van Herv en Geref kleuteronderwijs. Met dominee Jongebreur werd afgesproken om samen met de hervormde gemeente het evangelisatiewerk in Bleiswijk ter hand te nemen. En doordat de financiële positie van de Gereformeerde kerk veel sterker geworden was, kwam de diaconie zelfs met een voorstel om een vaste gezinshulp aan te stellen, maar dat was te hoog gegrepen en kwam i.v.m. een te grote kostenpost niet van de grond.

Van boze kosters en inleveren van de kerksleutels

Tot nu toe (1947) werd het kosterschap waargenomen door twee vrijwilligers, maar omdat de beide kosters verschillende werkzaamheden in of rondom de kerk weigerden uit te voeren, (het is niet nader beschreven om welke werkzaamheden het ging) zag de kerkenraad zich op een gegeven moment genoodzaakt een vaste koster aan te stellen met een salaris van f 182,- per jaar. Dat schoot bij de beide vrijwillige kosters in het 'verkeerde keelgat', die wilden helemaal niets van een vaste koster weten en kwamen met 'opgestoken staart' naar de kerkenraadsvergadering om daar hun ongerief uiteen te zetten. En dreigden zelfs met hun vrijwillige bijdrage stop te zetten, als de kerkenraad niet terug zou komen op het genomen besluit. De kerkenraad wilde echter van geen wijken weten en had schoon genoeg van de 'rebelse' kosters en het niet correct uitvoeren van de opgedragen werkzaamheden en zette het plan door. De kosters daarentegen lieten zich ook niet 'uit het veld' slaan en probeerden dan maar via een omweg - in een gecombineerde vergadering met de kerkenraad en enkele kerkvisitatoren - hun gelijk te krijgen. Die visitatoren waren wijze mannen en konden zich in het verhaal van de kosters wel vinden en begrepen het ook. Maar gaven de mannen van de kerkenraad toch het recht van spreken en moesten de boze kosters 'afdruipen' en er zich wel bij neer leggen.

Toen was het moment voor de kosters gekomen om de sleutels van de kerk in te leveren en dat waren zij niet van plan. Want één van de kosters had de lopers/sleutels zelf betaald en dan lever je die natuurlijk ook niet zomaar weer in, daar moest op zijn minst eerst nog wel even een 'hartig' woordje over gesproken worden. Zo wilden de kosters toch nog een ietsje van hun 'gram' halen en een heel klein stukje overwinning voor zichzelf claimen. Samengevat zou het verhaal over de kosters wel een bladzijde uit een streekroman of een aflevering van een soapserie kunnen zijn. En het lijkt een beetje paradoxaal op het nieuwe begin van saamhorigheid waar iedereen direct na de oorlog zo vol van was. Maar misschien ook waren het helemaal geen 'rebelse' kosters en namen ze de kreet uit die dagen “Alles moet goed en alles moet beter” wel te letterlijk en wilden ze er graag een eigen invulling aan geven. Hoe dan ook, er is een oud gezegde dat luidt: “Waar mensen werken, vind je ook altijd weer mensen”. Wat zoveel wil zeggen, dat je naast de goede dingen ook ongetwijfeld hun fouten en gebreken zult vinden, dat was vroeger zo, dat is nu ook nog zo, dat zal wel altijd blijven. Maar het belangrijkste van alles bij onenigheid is toch, dat je elkaar niet loslaat. En dat het uiteindelijk allemaal weer uitgepraat wordt en goed komt, zodat je elkaar weer in het (bij de) Goede kan ontmoeten. Zo ook hier, de kosters hebben 'de strijdbijl' begraven en zijn daarna niet meer in beeld gebleven voor een vervolg van dit verhaal, gelukkig maar!

Henk de Bruin.