Kerk kroniek - deel 36 - De kerk in oorlogsjaren (2), de oude pastorie en de hongerwinter
Geschreven door Henk de Bruin   

We schrijven 14 maart 1941. De Generale Synode heeft voor zondag 23 maart een biduur uitgeschreven voor de nood der tijden - dit zou tijdens de oorlogsjaren met enige regelmaat gaan gebeuren. Naarmate de oorlog voortduurde werden voedsel en kolen voor de verwarming steeds schaarser. De twee voorste zaaltjes van het vergaderlokaal van de kerk (de voormalige school) werden verhuurd voor bergplaats van de voedselvoorziening en kantoor, en er werd door de gemeente een huis op de Plaats ingericht voor distributiekantoor, waar de mensen bonnen konden verkrijgen die nodig waren om nog wat te kunnen kopen. Nederland werd langzaam maar zeker door de Duitsers helemaal leeggeroofd, zo kwam er werkelijk aan alles gebrek. Bleiswijk als agrarische dorpsgemeenschap maakte wel een uitzondering in vergelijking met bijv. een stad als Rotterdam voor wat betreft de voedselvoorziening.
Clandestien slachten kwam hier zeker voor en iedereen had wel een tuintje waar het een en ander verbouwd kon worden. In de eerste jaren van de oorlog hielden ook veel mensen een varken om te slachten en er zal menig maaltje van de 'slacht' naar de pastorie gebracht zijn. Maar toch kon niet voorkomen worden dat er in Bleiswijk uiteindelijk ook een gaarkeuken geplaatst moest worden waar men dan een pannetje raapstelensoep of iets dergelijks kon halen.

De oude pastorie

En dan de grote oude pastorie, met twee bedsteden, (waar in de winter aardappelen werden bewaard) centraal gelegen aan de Dorpsstraat waar het gezin Tiemersma woonde. Het waren van oorsprong twee huizen met een hoger en een lager dakgedeelte, die later verbonden werden door een lange gang van negentien meter. Aan de achterkant van het huis was een serre en een schuurtje met een immens grote tuin met veel fruitbomen. Wij moesten wel eens als leerlingen van de lagere school wat 'werkzaamheden' verrichten in de pastorietuin, zoals het oprapen van het afgevallen fruit e.d. Maar of de pastoriebewoners hier echt mee geholpen waren is nog maar de vraag want menige appel en peer werd natuurlijk ter plekke geconsumeerd. Die oude pastorie was niet alleen in het dorp centraal gelegen, maar was tijdens de oorlogsjaren ook een centraal punt voor de komende en gaande man of vrouw. Iedereen was er welkom; ook koeriers hielden er soms een halt en de grote zware, een beetje uitgezakte voordeur was dan ook overdag nooit helemaal dicht.
Omdat de honger steeds erger om zich heen greep kwamen veel mensen uit Rotterdam en omgeving met handkarren en bakfietsen geladen met de meest uiteenlopende spullen langs de deuren, voor een boterham of een hap eten en zo ontstond er een 'levendige eenzijdige ruilhandel' gedreven door de honger. Alles wilde men wel ruilen voor eten; tot schoenen die men aan had en trouwringen en andere persoonlijke sierraden aan toe. Bij de pastorie kwam men nooit voor niets. Dat was al gauw bekend, iedereen kon mee-eten of kreeg een maaltje mee, maar dat maakte ook voor de pastoriebewoners de spoeling dun. Zozeer zelfs dat dominee Tiemersma soms zelf een beroep op de gaarkeuken moest doen (volgens de overlevering). Het is dan ook niet voor niets dat dominee bij de rondvraag tijdens een kerkenraadsvergadering meedeelt dat er in zijn gezin gebrek geleden wordt en de vraag stelt of hier iets aan gedaan kan worden. Na de vergadering is hierover zonder de aanwezigheid van de dominee beraadslaagd en de hulp zal niet uitgebleven zijn, want op de volgende vergadering bedankt de preses de leden van de kerkenraad voor de bemoeienissen om in de nood van zijn gezin te voorzien. Ook werd de grote zolder gebruikt om spullen op te slaan van ondergedoken Bleiswijkers waarvan de grond onder de voeten te heet werd en hun spullen even kwijt moesten. De Duitsers kregen door al die activiteiten echter wel de nodige argwaan en hielden de pastorie in de gaten, daardoor is er zelfs twee keer een z.g. huiszoeking gedaan, maar dat leidde gelukkig niet tot represailles.

De hongerwinter

Maar er was nog een andere kant aan de pastorie, een triestige kant en niet alleen omdat het zonlicht er maar spaarzaam kon binnendringen. Achter de ramen van het lagere gedeelte, uitziende op de Dorpsstraat, was een bed opgesteld wat bestemd was voor dochter Fimmy, die ongeneeslijk ziek was. Als we naar school gingen kwamen we er altijd langs. (Ik kan mij dat nog wel herinneren.) In 1946 is Fimmy op 26 jarige leeftijd overleden. In de pastorie woonde ook nog een jongetje van joodse afkomst, Roelof genaamd - daar is verder niet zoveel over bekend, mogelijk achtergelaten door joodse ouders die moesten vluchten of onderduiken.
Ook gebeurde het dat Duitse militairen voor een korte periode werden ingekwartierd in de pastorie. En dan komt de barre hongerwinter in beeld met zeer strenge vorst, geen brandstof, geen elektrisch licht en bijna geen eten meer. Het gezin Tiemersma moest daardoor tenslotte naar een klein kamertje in de pastorie verhuizen om nog een beetje te kunnen (over-) leven, met het licht van kaarsen en verwarming met bomen uit eigen tuin. En af en toe wat kolen die de pastorie bewoners mochten halen/scheppen - bij nacht en ontij, want niemand mocht het zien of weten - bij Gerrit Biemond die eigenaar was van een tuindersbedrijf achter de van Waningstraat en nog een voorraadje kolen voor zijn bedrijf bezat. Menigeen wist wel dat er in de gereformeerde pastorie dingen gebeurden wat de Duitsers niet mochten weten en het daglicht misschien niet kon verdragen. Het is daarom verbazingwekkend dat uiteindelijk alles goed is afgelopen. Yeb J. Tiemersma, de oudste zoon, schreef in mei 1987 naar aanleiding van het boekje 100 jaar kerk in beweging “Met uitzondering van de keuken en het toilet, heeft elke kamer beneden wel een tijd als studeerkamer gediend. Het is voor ons als kinderen vaak een raadsel geweest hoe Pa de slagen en spanningen wist te verwerken en het middelpunt bleef in deze samenleving van gezin en gemeente. En toch, wat is er muziek gemaakt en gezongen en gelachen in dit onvergetelijke huis.”Henk de Bruin.