Kerk Kroniek - deel 32 - Over taalgebruik, handschudden, etaleren op zondag en hele noten.
Geschreven door Henk de Bruin   

Doordat de scriba nog al eens wisselt van persoon kom je notulen beschrijvingen tegen die door het taalgebruik soms opmerkelijk geformuleerd worden. Het is misschien wel aardig om eens te laten zien hoe het er soms met het taalgebruik in die jaren aan toeging, en hoe men dan tot opmerkelijke uitspraken kwam.
De scriba schrijft:
Met het oog op het H. Avondmaal dat de volgende zondag staat gevierd te worden, wordt de onderlinge censuur geoefend, waarbij zich geen bezwaren voordoenen vervolgensBij de rondvraag wordt besloten dat de Praesis met br B. een bezoek zullen brengen bij J.C.H. om hem ernstig te vermanen over het verzuimen van de Dienst des Woords, wijl hij hierin volhardende, voorwerp wordt van de kerkelijke censuur. Sedert het vorige bezoek is hij niet meer ter kerke geweest. Er zal met hem nog enige lankmoedigheid gebruikt worden of hij nog van zijn verkeerden weg mocht terug keeren en anders zich schriftelijk van de kerk moet onttrekken!
Een verzoek om steun van de Gereformeerde drankvereniging voor kennisgeving aangenomen. (De scriba zal het zeker niet zo hebben bedoeld, maar als je dit laatste zo leest dan zou je zomaar kunnen denken dat het hier om een gezamenlijke drankinkoop vereniging gaat.)

7 september 1928

Bij de rondvraag wil broeder H. van de kerkenraad weten of het niet gewenst zou zijn om bij het huisbezoek te wijzen op het afknippen van het haar bij de jonge dochters en jong getrouwde vrouwen. Na bespreking besluit de kerkenraad om bij het huisbezoek te vermanen om niet met de wereld mee te gaan en zich eerbaar te vertonen met haar en kleding. Br. W.P. had zich geërgerd aan een andere zaak en brengt ter bespreking dat na afloop van een huwelijksbevestiging de predikant de familie een hand gaf en dat dit niet gedaan was door de dienstdoende kerkenraadsleden. De kerkenraad besluit hierbij dat in het vervolg alle dienstdoende ambtsdragers de fam de hand zullen schudden. Waarvan akte.

13 maart 1929

Verzoek van de heer A.J. Verbakel om een gedeelte van het oude schoolhuis te huren voor uitbreiding van zijn etalage waarbij dan ook een groot raam geplaatst moet worden, wordt door de kerkenraad goed gevonden maar de kosten hiervan zijn voor de huurder. De huur zal dan acht gulden per week bedragen voor een periode van 5 jaar, met een bepaling dat er op zondag niet geëtaleerd mag worden en het raam gesloten moet zijn. Een en ander werd door de notaris op schrift gesteld.

Juni 1929

De preses brengt het geval ter sprake van de organist H.B. die op zondag jl. in de morgendienst de gemeente toesprak om op te letten bij het zingen. - Omdat de psalmen toen nog gezongen werden met hele noten zgn. iso-ritmisch dus vier tellen per noot, mijn oude muziekleraar die rooms- katholiek was en goed thuis was in de gregoriaanse kerkmuziek en daardoor soms ook wel wat overeenkomsten zag met de psalmen in de oude zetting, noemde het kraaltjes rijgen. Je moest over heel wat adem kunnen beschikken om dat goed vol te houden. Ga er maar eens aanstaan als je al tot de wat ouderen behoort. Vlugger tellen zou nog een optie zijn geweest maar dat mocht/kon weer niet omdat b.v. een psalm 'gedragen' moest worden gezongen en dat had weer een beetje te maken met de oude kerktoonsoorten waarin de psalmen, maar ook het gregoriaans van oorsprong is opgebouwd, zoals bijv. Dorisch, Phrygisch en Hypo-mixolidisch om er maar een paar te noemen, er waren in totaal 8 toonsoorten waarvan wij er nu nog twee over hebben, n.l. majeur en mineur. Onze verre voorouders waren duidelijk meer gesorteerd in de toonladders, en ook Bach gebruikte die kerktoonsoorten bij het componeren van zijn cantates. In heel oude psalmboekjes stond de toonsoort er bij elke psalm apart bij vermeld. (Als jongeren zaten we die moeilijke grieksklinkende termen te spellen en ik moet eerlijk zeggen met het 'gedragen' zingen van de psalmen er bij had het wel iets bijzonders, iets mysterieus, maar dit even terzijde). De organist was zich van al deze zaken bewust en besloot om dan maar wat extra rust tussen de noten in te brengen, met het gevolg dat het een beetje uit de hand liep en het een onregelmatige warboel werd. De kerkenraad en de gemeente hadden zich hieraan geërgerd. De oren van broeder H.B. moesten daarom maar eens flink gewassen worden, wat dacht die organist wel wie hij was.
De kerkenraad besluit om hem hierover te schrijven en wel:
Ten eerste dat deze wijze van doen zeer afkeurenswaardig is omdat de lijding van de dienst berust bij de kerkenraad en hij hierdoor de orde verstoord heeft en bij herhaling van een dergelijk feit de kerkenraad hem zal ontslaan als organist. Ten tweede dat door een niet stichtelijk orgelspel niet de gemeente maar de organist vermaand moest worden. Ten derde hem opdraagt niet bij elke komma te rusten maar alleen dan waar het beslist noodzakelijk is en dan wel zo kort mogelijk. Vertrouwende dat hij zal medewerken en dat alles geschiedde tot ere Gods en stichting der Gemeente!
Broeder H.B. zal het niet meer in zijn hoofd gehaald hebben dat is wel duidelijk, tegen zoveel overwicht kon je als eenling natuurlijk niet op. Hoe anders gaat het in onze tijd, onze cantor kan in alle 'vrijmoedigheid' naar voren stappen om de gemeente enigszins bitwijs te maken hoe er gezongen dient te worden, en als het dan nog niet helemaal lukt kunnen we er ook nog een beetje om lachen, gelukkig maar. In de tijd van broeder H.B. was dat niet mogelijk, hoe goed bedoeld ook; want de kerkenraad hield 'de touwtjes stevig vast' en inspraak op welke manier dan ook werd niet of nauwelijks getolereerd. Alles wat anders was, was immers niet goed en was al gauw in strijd met het stichtelijke (godsdienstige).

Henk de Bruin.