Kerk kroniek - deel 26 - 1914-1918 en trappen van censuur
Geschreven door Henk de Bruin   

Het is 29 december 1916 en de eerste kerkenraadvergadering voor de nieuwe predikant dominee van Duin, waarbij hij een dankwoord spreekt tot de broeders voor de wijze waarop hij in Bleiswijk ontvangen is, en spreekt de wens uit om verder in eensgezindheid met de broeders samen te werken tot welzijn van de kerk des Heren in deze plaats. Door de eerste wereldoorlog 1914-1918 is het een dreigende tijd - ik schreef het al eerder - alle militairen waren gemobiliseerd, er is door de deputaten van de classis Den Haag ook al een schrijven uitgegaan om op zondag 31 dec. 1916 een biduur te houden i.v.m. de nood der tijden, zoals het schrijven vermeldt. Er waren 34 staten met elkaar in oorlog. Nederland kon dank zij koningin Wilhelmina, die absoluut voet bij stuk hield door consequent onpartijdig te blijven, hier ternauwernood aan ontkomen. Zelfs bij lichte schendingen van de Nederlandse soevereiniteit - wat in het grensgebied nogal eens het geval was - bleef Nederland neutraal. Niettemin lieten in die vier oorlogsjaren meer dan 9 miljoen soldaten het leven (over de nood der tijden gesproken). Door de oorlog was ook het levensonderhoud erg duur geworden en dat gold natuurlijk ook voor dominee van Duin. Op de kerkenraadvergadering van 3 juli 1917 spreekt hij zijn dank uit en blij verrast te zijn dat hij op zaterdagavond een duurtetoeslag van f 100,- mocht ontvangen. Er was door de synode aangedrongen op een extra toeslag van tenminste 12% van het traktement. Op de classikale vergadering was al een voorstel aangenomen om het minimum van de traktementen op te trekken naar f 2000,-. In het vorige stukje heb ik geschreven over de koster die maar geen verhoging kon krijgen  voor zijn werkzaamheden in de kerk, maar daar was kennelijk toch wel een reden voor want op 4 januari 1917 schrijft de scriba: “Omtrent velerlei klachten over het werk van de koster, wordt besloten hem hierover te onderhouden. De Praeses wijst hem er op dat het in orde houden van het kerkgebouw en wat verder in het belang van de catechisatie nodig is, veel te wensen overlaat en vraagt of hier geen verbetering in kan komen, en indien nodig zal er een ander aangesteld worden tegen een vergoeding van f 1,50 voor het zomerseizoen en f 2,00 voor het winterseizoen.” Wellicht gaat het hier ook over een wekelijkse vergoeding.

Op 3 januari 1919 schrijft de scriba: “Broeder de B komt ter vergadering en verzoekt raad en steun van de kerkenraad. Zijn huishoudster is vertrokken en hij weet zich geen raad om zijn gezin in orde te houden. De Praeses vraagt waarom zijn huishoudster verrtokken is; br de B doet dienaangaande enige meededelingen, ondermeer beschuldigd hij haar van oneerlijkheid. De Praeses vraagt of er geen andere redenen zijn. Tenslotte blijkt dat beiden elkander beschuldigen van zonde tegen het zevende gebod. Broeder de B betuigde absoluut onschuldig te zijn, waarna de Praeses voorstelde om de kerkenraad alles te laten onderzoeken om zekerheid en duidelijkheid te verkrijgen over deze 'zaak'.” Daarbij moest deze broeder dan wel bereid zijn om samen met de vertrokken huishoudster voor de kerkenraad te verschijnen om hoor en wederhoor te vernemen, maar na een uitnodiging aan de vrouw waarbij de kerkenraad liet weten ook nog de reiskosten te willen vergoeden, liet de huishoudster per brief weten hier geen tijd voor te hebben. Na verder onderzoek is echter gebleken dat deze broeder onschuldig was, en was de kerkenraad bereid om voor deze broeder en zijn gezin hulp te bieden bij het zoeken naar een vrouwelijk hulp (aldus de scriba). Omdat dit laatste zo expliciet beschreven is blijft de vraag hangen: 'wanneer het voor deze broeder niet zo goed uitgepakt was, zou de kerkenraad dit gezin dan niet geholpen hebben bij het zoeken naar een vrouwelijke hulp'? (Het ging hier hoogstwaarschijnlijk om een weduwnaar met kinderen.)  Zondigen tegen het zevende gebod kwam in die jaren nog al eens voor, ook in de burgerlijke gemeente. In de kerkelijke gemeente was de sociale controle veel groter en werd er veel meer bekendheid aan gegeven, in dat geval werd je door de kerkenraad ’gedagvaard' om een en ander te komen uitleggen.

Niet iedereen was daar meteen van onder indruk, zo schrijft de scriba: “Wed. D heeft zich onlangs schuldig gemaakt door te zondigen tegen het zevende gebod. Met droefheid heeft de kerkenraad vernomen dat ze niet het minste berouw betoonde en zelfs te kennen heeft gegeven dat ze hierdoor over ruimer inkomsten beschikt. Dit is reeds de tweedemaal dat zij zich aan deze zonde schuldig heeft gemaakt. De kerkenraad besluit dan ook  deze zuster, die geen verootmoediging betoonde, van het Avondmaal af te houden". Zonder de naam van de betrokken zuster te noemen werd het bij de afkondigingen aan de gemeente bekend gemaakt (eerste trap der censuur art: 77 kerkelijk recht). Bij toepassing van de tweede trap volgt afsnijding van de gemeente en wordt de naam van de persoon en de aard van de zonde wel aan de gemeente bekend gemaakt, wat echter alleen mogelijk is na uitgebreid advies en overleg met de classis en de woordkeus van de mededeling moest dan ook uitermate voorzichtig gesteld worden. Omdat er na veel bezoeken en vermaningen toch geen verbetering te bespeuren was bij deze zuster, moest de kerkenraad deze vorm van tucht helaas wel uitvoeren. “Om duidelijk te doen uitkomen dat deze handeling een geestelijk karakter draagt zal hare ondersteuning voorlopig zoo doorlopen ook met het oog op de kinderen”, aldus de scriba. Opvallend is wel dat die overtreding in deze periode (de eerste wereldoorlog 1914-1918), waardoor de extreme duurte van het levensonderhoud bij heel veel mensen de armoede nog eens groter maakte, wat vaker voor komt. Tenslotte nog: “Een gift ingekomen voor de armen, van vijftig Gulden van den Edelachtbare Heer Baan ter gelegenheid van zijn installatie als Burgemeester dezer Gemeente. Deze gift zal niet extra uitgegeven worden, maar worden gedaan in de Kas der Diaconie”. Bij de oudere-oud Bleiswijkers, waar ondergetekende ondertussen ook deel van uitmaakt, zal burgemeester Baan zeker nog wel enige herinneringen oproepen.

Henk de Bruin.