Kerk Kroniek - deel 24 - Als de nood het hoogst is, is de redding nabij
Geschreven door Henk de Bruin   

De scriba schrijft op 2 februari 1906 in het notulenboek: “Een schrijven ontvangen van broeder N-- gericht aan de kerkenraad, wijzende andermaal op de verplichting om aan zijn verzoek te voldoen ter betaling van zijn opgevraagde obligatiegelden door hem te leen gegeven op het gebouw de pastorie der Gereformeerde Kerk, met bijvoeging van sommige onware en beledigende uitdrukkingen betreffende tegen zijn persoon gericht, dit laatste is voor kennisgeving aan genomen, ook ds Nieborg spreekt dit tegen.” Er moest dus op zeer korte termijn een manier gevonden worden om het bedrag van f 3.650,- te kunnen aflossen. Verschillende mogelijkheden werden geopperd, zelfs om dan eventueel de pastorie maar te verkopen. Uiteindelijk werd er besloten om met een intekenlijst de kerkleden te bezoeken en te zien hoeveel geld er dan beschikbaar zou kunnen komen. Het resultaat was zeer pover en resulteerde in het bedrag van f 150,-. Hiermee moest dan maar een poging gedaan worden om broeder N-- voorlopig even tevreden te stellen. Twee broeders krijgen de opdracht om dit karwei te klaren, maar dit pakt slecht uit. De scriba schrijft: “Twee broeders geven kennis, aan de opdracht voldaan te hebben door de vorige dag br N-- bezocht te hebben met aanbieding van f 150,- ter afdoening van zijn obligatie groot f 3.650,-. Br N-- heeft geweigerd dat gedeelte der hoofdsom in ontvangst te nemen door te eischen dat het door hem opgevraagde geld in één som geheel aan hem wordt voldaan, en niet vooraf f 150,- wil ontvangen. De afgevaardigden richtten toen aan br N-- de vraag of hij bij zijn schriftelijk besluit van opeisching der obligatie blijft? Hij betuigde daarin te volharden.”

Het spreekwoord zegt: “Als de nood het hoogst is, is de redding nabij”, gelukkig bleek dit voor de kerkenraad niet alleen een spreekwoord of gezegde te zijn maar werd het ook nog boven alle verwachting werkelijkheid. Er diende zich op het allerlaatst (ook weer uit de kerkenraad) een broeder aan die in uiterste noodzaak bereid was om door middel van een obligatie op de pastorie, het opgevraagde bedrag van f 3.650,- met een jaarlijkse aflossing van minstens f 50,- en tegen rente van 4% per jaar aan de andere broeder/eiser te voldoen. De kerkenraad had eindelijk zijn lesje geleerd, want er werd nu bij deze obligatie bepaald dat bij het normaal nakomen van alle verplichtingen zoals rente en aflossing, de eventuele rest van de hoofdsom, natuurlijk ten alle tijde wel opeisbaar was, maar nu echter na een schriftelijke aanzegging van tenminste zes maanden. Dat gaf de nodige soelaas om een herhaling van de voorgedane problemen in de toekomst te voorkomen. De scriba schrijft na deze overeenkomst: “hiermede betuigde de kerkenraad zijn instemming en werd alzo besloten, en is afgesproken dat a.s. zaterdag aan broeder N-- zijn opgevraagde obligatie gelden als mede de verschuldigde rente wordt bezorgd door een afvaardiging der kerkenraad.” Hierdoor was voorlopig de kou uit de lucht en kon de kerkenraad overgaan tot ook nog wat andere belangrijke zaken. Maar het echte conflict was hiermee natuurlijk nog niet geklaard, hiervoor moest nog een andere oplossing gevonden worden, temeer ook omdat het voor heel veel onrust zorgde in de gemeente - er waren immers twee partijen ontstaan.

En dan zijn we aangekomen op woensdag 21 maart 1906, een datum waar de hele situatie een onverwachte wending kreeg, en een notulen beschrijving waarbij alleen vreugde domineert. Het betreft hier een vergadering van de kerkenraad met een afvaardiging van de classis bestaande uit vier predikanten en een ouderling. De scriba schrijft: “Ds Nieborg opent de vergadering op de gebruikelijke wijze. De arbeid der Broeders werd kennelijk gezegend. Na samenspreking met den Kerkenraad en broeder N--, en ook met de bezwaarde broeders, (de broeders die partij gekozen hadden voor broeder N--), zijn al de kwesties die er bestonden tussen hen en onderscheidene leden der gemeente weggenomen. Alles werd vergeven en zou vergeven worden. En op de vraag van één der Deputaten aan broeder N-: “Indien de Censuur opgeheven wordt zal dan de verhouding tussen u en uw dochter goed zijn, antwoordde broeder N-- met een volmondig ja”. Daarop werd terstond door den kerkenraad de Censuur op deze broeder opgeheven. De vergadering besluit met goedvinden van broeder N-- om het volgende a.s. zondag 25 maart van de kansel aan de Gemeente bekend te maken: “De kerkenraad deelt aan de Gemeente met blijdschap en dank aan den Heere mede, dat de Censuur op een broeder toegepast in November 1904 en aan u bekend gemaakt, is opgeheven en dat allerlei daarmede in verband staande moeilijkheden ook rakende de onderlinge verhouding der broeders zijn opgelost.”

Het resultaat van dit samenspreken werd ook nog aan enkele andere broeders die hun bezwaar hadden ingediend bij de kerkenraad, nadat zij in de kerkenraad verschenen waren, medegedeeld. Op verzoek neemt br W-- op zich de gehuwde dochter van broeder N-- de volgende morgen in kennis te stellen dat haar vader hare schuld van ongehoorzaamheid tegen over hem vergeven heeft en dat haar vader van de opgelegde Censuur ontheven is, met aanrading dat zij haar vader voortdurende moet bezoeken.” Ds v. de Brink, die een van de afgevaardigden was, spreekt nog een hartelijk woord tot de broeders en sluit daarna de vergadering met een treffend dankgebed. Hiermee is dan aan een lang slepende kwestie waar maar geen einde aan leek te komen opgelost. Maar blijdschap en verdriet liggen soms in het verlengde van elkaar en blijkt nog uit het volgende, de scriba schrijft aan het slot van deze lange vergadering: “Dominee Nieborg verzoekt a.s. zondag 25 maart vrij te zijn van zijn Dienst aangaande zijn droeve omstandigheid door het overlijden van zijn vader, en is door de kerkenraad gebillijkt en toegestaan.”

Met dit stukje zijn we aan het einde gekomen van een beschrijving van ± de eerste 20 jaar Gereformeerde kerk van Bleiswijk, wat ongetwijfeld de moeilijkste jaren zijn geweest. Het was voor de broeders en natuurlijk ook voor de zusters - al kwamen zij in die jaren niet zo in beeld - op de achtergrond zullen zij zeker een stem in het kapittel gehad hebben, een moeilijke start. Met soms een lange nasleep van allerlei vaak zeer moeilijke of ingewikkelde, dikwijls ook onderlinge problemen, waarbij het financiële aspect een grote rol speelde, maar men wist er met gebed en volharding en niet in het minst door verstandig inzicht en handelen van dominee Nieborg toch steeds weer uit te komen. Ik heb ± 225 kerkenraadverslagen door kunnen/mogen lezen, aan de hand hiervan heb ik geprobeerd om een inzicht te schetsen van hoe ons voorgeslacht figuurlijk moest worstelen om op de eenmaal ingeslagen weg verder te gaan en heb hierbij natuurlijk lang niet alles beschreven, slechts alleen nog maar de meest in het oog springende zaken. Ik wil nu een volgende periode van de Gereformeerde kerk van Bleiswijk gaan beschrijven waarvan het misschien ook aardig of interessant is om daar kennis van te nemen.

Henk de Bruin.