Kerk kroniek - deel 20 - Algemene lauwheid en verlichting(?)
Geschreven door Henk de Bruin   

Volgens de notulen, geschreven in de eerste maanden van het jaar 1903 heeft men zoals al eerder is beschreven steeds meer te maken met een 'algemene lauwheid'. Hierdoor moesten er steeds meer lidmaten extra bezocht worden. Maar de vele bezoeken werden door sommigen ook als bezwaarlijk ondervonden, - steeds maar weer de dominee op de stoep - , en die maakten dit ook duidelijk kenbaar. Een aantal lidmaten komen zelfs ook niet meer aan het Heilig Avondmaal, ook broeders die tot het ambt van ouderling of diaken gekozen waren nemen in toenemende mate na hun verkiezing het ambt niet aan of proberen er allerlei motivaties voor te vinden om er onderuit te komen en moeten over het onschriftuurlijke hiervan streng en vermanend aangesproken worden. De kerkenraad maakt zich daar ernstige zorgen over, de scriba schrijft: “De voorzitter wijst op de toestand der gemeente die naar zijn oordeel niet gunstig te noemen is. Er is een algemene lauwheid te bespeuren, de andere leden van de kerkenraad ervaren dit ook zo,en naar aanleiding hiervan vraagt de praeses of het niet gewenst is om een biduur uit te schrijven om in een afzonderlijke bijeenkomst zich te verootmoedigen voor God en te bidden om kracht en doorwerking des Heilige Geestes”.

Maar de kerkleden gingen zich ook in meerdere mate verzetten tegen de bemoeienis van de kerkenraad in allerlei interne privé aangelegenheden. Een agenda punt vermeldt: “Rapport van een bezoek bij een broeder over een zaak aangaande met een lidmate dezer kerk. Aan hem is verzocht met de lidmate zich in de kerkenraad te begeven om hierover het hoor en wederhoor te vernemen. Deze broeder heeft dat afgewezen, maar is hem gezegd dat de zaak dan voor zijn rekening ligt en dat de kerkenraad vrij uitgaat en heeft betoond de zaak aan te durven en verwacht van hem niet het tegendeel te horen“. Maar binnen de kerkenraad zijn er ook nog andere problemen die de nodige hoofdbrekens zouden gaan kosten, de scriba schrijft: “Bij de rondvraag deelt broeder X--- mede dat hij zijn ambt als ouderling neerlegt; hij acht dit het beste te zijn met ’t oog op de gemeente. Ook heeft het hem gesmart dat twee broeders dus een deel van de kerkenraad hem niet genoegzaam gesteund heeft in zijn strijd tegen ’t verkeerde in zijn huisgezin.” Die beide broeders wilden nog wel opgenomen hebben in de notulen, dat zij geen bezwaar hebben tegen het huwelijk van een gereformeerde met een hervormde, indien n.l. de hervormde belooft met de gereformeerde mee naar de kerk te zullen gaan. Op voorstel van den preses wordt besloten op een volgende vergadering hierover te beslissen.

In het kort komt het verkeerde in het gezin van deze ouderling hierop neer, dat één van zijn kinderen in het huwelijk wilde treden met een partner die hervormd was. In zijn beleving was dat absoluut onbespreekbaar, en hij werd hier dus niet eensgezind in gekend en gesteund door de voltallige kerkenraad omdat twee broeders in beginsel zijn mening niet konden delen, maar dat bracht wel onvermoede en vergaande consequenties met zich mee. (Later kom ik daar uitgebreid op terug.) Ook verschillende besprekingen hierover konden het standpunt van deze ouderling niet veranderen. Op de eerstvolgende kerkenraadvergadering werd er nog verder op ingegaan en stelde men twee regels op waaraan een hervormde moest voldoen om met een gereformeerde in de kerk te kunnen trouwen. We lezen dan: “De voorzitter stelt voor, wanneer er een huwelijk zal bevestigd worden tussen een hervormde en een gereformeerde, om dan de hervormde vooraf in de kerkenraadsvergadering te laten komen en de volgende vragen ter beantwoording voor te leggen:

  • Ten eerste (of hij of zij) Gods Woord gelooft overeenkomstig de formulieren van Eenigheid.
  • en tweede (of hij of zij) belooft zijn of haar huis te zullen regeren naar de eisch van Gods Woord.
  • Indien deze vragen toestemmend beantwoord worden, dan zal tot de bevestiging van het huwelijk worden overgegaan.

Het is allemaal nogal heftig en streng als je leest hoe het er aan toeging in die tijd, maar ja ouderling X---- was nog een broeder van het eerste uur, was al 16 jaar lid van de kerkenraad en had alle ups en downs aan den lijve ondervonden. En heus dat waren er niet weinig. Het spanningsveld tussen de kerken was groot, dat is waar, en we kunnen er zeker van zijn dat het wantrouwen of de argwaan er over en weer was tussen de beide kerkelijke gemeenten. En natuurlijk maakte Bleiswijk daarop geen uitzondering. Het zijn bij een kerkafscheiding de problemen van alle plaatsen en tijden, maar bij een kleinere plattelandsgemeente zoals b.v. Bleiswijk toen was, lag het toch gevoeliger als in de grote stad - iedereen kende immers iedereen. Vele jaren later werden de gereformeerden nog wel die fijnen genoemd maar het kon nog erger, iemand sneerde eens in een gesprek over de kerk; “jullie van die kleine kerk zijn niet gereformeerd maar gereverkeerd!”. Hoewel het woord gereformeerd niets anders is dan het voltooid deelwoord van reformeren (een andere vorm geven), was het toch een geladen woord en associeerde men het wel degelijk met bekrompenheid.

Het waren opmerkingen die je natuurlijk niet zó veel hoorde maar af en toe was er toch de confrontatie, en dan voornamelijk onder de ouderen. Het maakte alleen maar duidelijk dat het onder het oppervlak zoveel jaren later nog altijd een beetje borrelde, maar de tijden zijn veranderd en komen dergelijke opmerkingen bijna niet meer voor, gelukkig maar. Tot slot nog het volgende, de scriba schrijft: “De praeses doet verzoek, ten kosten der Kerkelijke Gemeente in de pastorie electrisch licht te doen aanleggen, het bedrag hiervoor is f 7,-, doch door bespreking dat de gelegenheid van tijd hiertoe nog verre af kan zijn, is hier niet nader op in gegaan. Na nog eenig broederlijk samenzijn sluit de praeses de vergadering met dankgebed”. Naar alle waarschijnlijkheid ging het om een lichtpunt voor in de studeerkamer. Onbewust komt dan de vraag boven: wat zullen de beweegredenen geweest zijn dat aan dit verzoek niet is voldaan? De kosten bedroegen niet meer dan het halve weekgeld van een boerenknecht in die jaren. We zullen het niet te weten komen maar het zal wel heel erg spijtig geweest zijn voor dominee Nieborg, want die moest dan maar, en vooral tijdens het korten der dagen bij een petroleumlamp of een kaars, zijn preken maken en de vele andere werkzaamheden voor elkaar zien te krijgen, ------ wat een tijd!!! 

   

Wordt vervolgd, Henk de Bruin.