Kerk kroniek - deel 19 - Groei en geldzorgen rond 1900
Geschreven door Redactie   

Het aantal leden van de Gereformeerde kerk breidt zich gestaag uit. Langere tijd is er geen opgave meer gedaan, maar dan komen we toch ineens in het kerkenraadverslag van 11 oktober 1902 de volgende opgave tegen, bestemd voor het “Handboek der Geref Kerken”: Aantal leden 245 waarvan 17 leden wonende te Bergschenhoek. Toegelaten tot het Heilig Avondmaal 110 leden. De toename van het aantal leden is zelfs zo sterk dat de preses op dezelfde kerkenraadvergadering een voorstel doet om alvast zes keer per jaar te gaan collecteren voor een nieuw te bouwen kerk. Dit zijn natuurlijk verheugende omstandigheden, maar met het snel toenemen van de kerkleden, nemen ook de problemen van allerlei aard zichtbaar toe. En zoals toen gebruikelijk, komen de meeste zaken in eerste instantie bij de kerkenraad voor behandeling. (Ik maak hierbij een keuze uit de meest in het oog springende omstandigheden). Zo lezen we in een kerkenraadverslag: “Bespreking van een lidmate dezer Gemeente die gezegd heeft nog altijd met haat vervuld te zijn tegen een persoon, en die lidmate heeft zich onlangs ook nog schuldig gemaakt door het ontheiligen van de dag des Heeren. Er wordt door de broeders overeen gekomen tot nadere bespreking hierover, en met verzwijging van naam, de censuur hierover openlijk in de Gemeente bekend te maken”. (Ontheiligen van de zondag in welke vorm en op welke manier was absoluut onbestaanbaar, het was eigenlijk de graadmeter hoe gereformeerd je was en de censuur werd dan meestal ook direct toegepast.)

In de notulen van 15 november 1902 schrijft de scriba bij punt 3 van de agenda: “De praeses brengt verslag uit van het bezoek bij een broeder die zich failliet heeft verklaard. In verband hiermede is zijn mening, dat het niet voortkomt uit zijn slecht bestaan, doch door verschillende omstandigheden zoals verkeerde inkopen en handel, en door ongepaste leningen. Die broeder deelde mede dat hij zijn boel geheel op zal ruimen om aan zijn schuldeisers nu gedeeltelijk te voldoen en zo mogelijk later geheel aan te zuiveren. De broeders van de kerkenraad getuigen van hem dat zijn standpunt als faillietverklaring niet zuiver licht, en hij zich voorts moet toeleggen om met de zijnen, handenarbeid te gaan verrichten. Hetwelk de bezwaarde toestemmend beantwoord.” Ds Nieborg wordt duidelijk zeer gewaardeerd als herder en leraar. Er is geen sprake van commentaar of anderszins op zijn functioneren. Deze waardering komt ook aan de orde als hem eveneens op deze kerkenraadvergadering gevraagd wordt of hij van het jaarinkomen van f 1100,- behoorlijk kan toekomen, waarop de eerwaarde ontkennend moet antwoorden en geeft hierbij enige toelichting.

Hierover zal op een vergadering zonder de aanwezigheid van de dominee door de broeders beraadslaagd worden. Maar men komt al heel snel tot de conclusie dat de ruimte voor een salarisverhoging er echt niet is, hierover hoefde men eigenlijk niet in conclaaf te gaan. Blijft alleen nog de vraag over, waarom dan toch die belangstelling naar de financiële toestand van de dominee. Het was toch bij de kerkenraadsleden genoegzaam bekend dat het met de financiën van de kerk zeer slecht gesteld was, op de jaarlijkse begroting was er immers altijd een nadelig saldo. Was het misschien de hete adem van de synode die de broeders parten speelde? Ds Nieborg moest het voorlopig hier maar voor blijven doen, maar hier zal nog héél veel over gesproken gaan worden want ook de synode vond de salarissen in die jaren voor de predikanten over het algemeen veel te krap, en dus kwam dit probleem regelmatig aan de orde. Toch kon het traktement van een predikant van dorp tot dorp veel verschillen. (Ter vergelijking, de kandidaat Abraham Kuyper ging in zijn eerste kerkelijke gemeente in Beesd, een dorp in de gemeente Geldermalsen al f 2400,- per jaar verdienen, de dominee in het Friese Bergum moest het daarentegen voor f 500,- per jaar en een vet varken doen.) Het was maar wat een gemeente kon opbrengen, collectieve arbeidsovereenkomsten waren er nog lang niet. Maar het was niet alleen bij de predikant waar het geen vetpot was. Er was ook nog een broeder van de kerkenraad die in zwaar financieel weer terecht was gekomen en daarom ook nog andere consequenties onder ogen moest zien. De scriba schrijft: ”Gedaan bezoek met ds Nieborg bij broeder A die betuigde bezwaard te zijn over de financiële toestand van broeder B, dat veel opspraak in de gemeente maakt, en als dat zo bevonden is, is het niet behoorlijk dat broeder B in zijn ambt als ouderling blijft. De broeders geven de raad aan broeder A dat hij in de eerste plaats daarover met broeder B moet gaan spreken”. (Het betreft hier een klacht van een gemeentelid over een ouderling.) “Hierna betuigde deze ouderling: ‘dat hij steeds dieper in geldelijke schuld komt te geraken en het zelf ook niet bestaanbaar acht om langer in zijn ambt te blijven en dient zijn ontslag in met het verzoek of de kerkenraad hem dit wil verlenen’ ”. Hierna ontraadde de kerkenraad hem om gebruik te maken van het a.s. Heilig Avondmaal, het welk ook zijn voornemen was. Een en ander zal nog met de preses van de kerkenraad besproken worden.

Er werd ook wel eens gecollecteerd voor de boeren in Zuid Afrika. Er waren een aantal Nederlandse en Duitse boeren (kolonisten) die zich in Transvaal gevestigd hadden, en daar onder leiding van Paul Kruger een eigen land hadden gesticht. (De Zuid Afrikaanse Republiek.) Die boeren en meestal de nazaten hiervan waren in een hevige strijd gewikkeld tegen het Britse Imperialisme. De oorlog duurde van 1899 tot 1902 en kostte veel boeren het leven, - de achtergebleven gezinnen leefden daardoor in barre omstandigheden -. Het is wel opvallend dat hiervoor gecollecteerd werd omdat er bij zoveel aanvragen van buiten, (financiële hulp voor noodlijdende kerken e.d. in eigen land ) bijna altijd negatief werd gereageerd omdat de geldelijke middelen simpelweg ontbraken. Het zou kunnen zijn dat hier sprake was van (beroeps-) verwantschap - maar dat is mijn persoonlijke gedachte hierover, aanwijzingen in de notulen of andere verslagen dien omtrent heb ik niet kunnen vinden -.

Je kunt je het in deze tijd bijna niet voorstellen maar bij al het werk in de gemeente met o.a. de vele steeds maar terugkerende huisbezoeken die het hele jaar doorgingen moest ds Nieborg ook zijn eigen tuin nog onderhouden en zelf zijn groenten verbouwen. Over de leeftijd van ds Nieborg is niet veel bekend maar afgaande op de foto die nog in het kerkelijk archief aanwezig is, zou je kunnen denken aan een man van in de dertig jaar, ook al omdat ds Nieborg na Bleiswijk nog drie andere gemeenten heeft gediend. Aan wijsheid en inzicht ontbrak het de eerwaarde zeker niet, gelet op zijn tactvolle adviezen en opmerkingen in de vele verslagen.  

Wordt vervolgd,                                                                                                                Henk de Bruin.