Kerk kroniek - deel 18 - Knikkebollen en vermaningen
Geschreven door Redactie   

In het kerkenraadverslag van 16 augustus 1901 lezen we bij punt 5 van de agenda: “Ontvangen een ingezonden stuk van br S. Huisman met de vraag behelzende waarom toch s’ middags zonder vooraf-gaande Bediening des Woords, ja zelfs zonder lezing van het formulier, het Heilig Avondmaal aan vijf, zes of meer leden van de gemeente bediend wordt, en bij de Heilige Doop altijd het formulier gelezen wordt met een volledige Dienst des Woords.  De kerkenraad oordeelt dat volgens zijn vorig genomen besluit, dat het s’ middags geen vernieuwing is, doch een voortzetting van het Avondmaal van s’ morgens en dat voor de bediening van de Heilige Doop, vooraf de Bediening des Woords altijd moet plaats hebben. De kerkenraad wil hierover het oordeel vragen aan prof Rutgers“ (in Amsterdam).

Er waren hier al eerder vragen over gesteld. Maar omdat men over het algemeen gewend was om twee keer naar de kerk te gaan op zondag en het lezen van het formulier voor het Heilig Avondmaal nogal uitgebreid was en daardoor veel tijd in beslag nam, had men de beslissing genomen als boven beschreven en werd de 2de dienst afgesloten met een zgn. nabetrachting. Maar volgens het oordeel van prof. Rutgers moest bij elke Avondmaalsviering toch het gehele formulier weer apart gelezen worden en was er geen sprake van een voortzetting, maar van een nieuwe viering. De kerkenraad heeft toen besloten om het oordeel/advies van prof. Rutgers over te nemen en deze manier van avondmaalsviering is vele jaren gehandhaafd in onze kerk. Later is men hier toch nog op terug gekomen en heeft men het zgn. verkort formulier ingevoerd voor de 2de avondmaalsviering. Het Heilig Avondmaal was in die jaren een sacrament waar heel veel over te doen was. De kerkenraad heeft daarom ook besloten het oordeel van prof. Rutgers als een instructie te plaatsen  op de credentiebrief (volgens art. 33 van het kerkelijk recht was/is een credentiebrief of geloofsbrief nodig om als afgevaardigde van de kerkenraad zitting te kunnen hebben in de classisvergaderingen en is dus een bewijs van een wettige afvaardiging). Hierdoor was het mogelijk dat een afgevaardigde van de kerkenraad invloed kon uitoefenen op de besluitvorming van de classisvergaderingen. Er was in die tijd ook een probleem wat men ongehoorzaamheid noemde voor wat betreft het deelnemen aan het Heilig Avondmaal. De kerkenraad van Charlois kwam met de vraag naar de kerkenraad van Bleiswijk: “Hoe moet de kerkenraad handelen met leden die niet tot het Heilig Avondmaal zijn toegelaten en die hardnekkig de vermaningen van de kerkenraad verwerpen?” Het antwoord van de Geref. Kerk van Bleiswijk was kort en bondig: ''Het oordeel dezer kerk is, die mensen te censureren en desnoods van het doopboek af te voeren.” Wij zouden nu het woord uitschrijven gebruiken. Dit advies werd ook op de credentiebrief geplaatst. (Het was in die jaren wel meer gebruikelijk dat er advies of mening van andere plaatselijke kerkenraden gevraagd werd als het om een moeilijk probleem ging).

De kerkdiensten waren voor ons in “de jaren onzer jongelingschap“, om maar eens een term uit de oude doos te gebruiken, een lange opgaaf; die duurden altijd anderhalf uur of langer. Ik herinner mij nog goed dat de dominee vooraf  aankondigde dat de preek uit twee of drie punten bestond. Dan werden er eerst een aantal psalmverzen gezongen en daarna volgde de ronddeling van de versnapering (de kerk pepermunt). Er zijn gemeenteleden die deze gewoonte nog steeds in ere houden. Maar er is ook wel eens een predikant geweest die deze gewoonte beslist niet kon waarderen en daar van de kansel af een geërgerde opmerking over maakte. Veel gemeenteleden hadden eigen kussens in de kerk, op velen ervan was de naam van de familie aangebracht, voor de oudere dames één voor op te zitten en één voor achter de rug want de banken waren nogal hard, (men noemde dat toen banken met een actieve zit). Het waren toen allemaal vaste plaatsen die door de plaatsencommissie waren toegewezen waarbij men een voorkeur kon uitspreken waar men wilde zitten, dit was aan leeftijd gebonden, en het ging van de oudste af. Maar vijf minuten voor de aanvang van de dienst ging er een groen lampje branden en dan waren alle plaatsen die nog niet bezet waren, op die van de kerkenraad na vrij. Als het warm was werd door sommige oudere dames gebruik gemaakt van eau de cologne; hiervan werd dan wat op een zakdoek gesprenkeld en aan het voorhoofd gebracht op deze manier bracht dat waarschijnlijk wat verkoeling en soms mocht de buurvrouw hier ook nog van mee profiteren.

Elke preek had een zgn. “tussenzang“ de dominee kon dan even op adem komen en de kerkgangers konden daarna opnieuw de aandacht op het vervolg van de preek vestigen, maar wanneer die werd aangekondigd wisten wij dat de grootste helft er op zat. Omdat veel mensen in de agrarische bedrijven werkzaam waren en daardoor s’ morgens vroeg uit de veren moesten gebeurde het; misschien wel als de preek niet zo erg boeide, dat bij sommigen de slaap toesloeg (ondanks de banken met de actieve zit). Er zaten dan hier en daar wat mensen te knikkebollen wat bij ons dan natuurlijk weer voor veel hilariteit zorgde. Het collecteren ging met een lange stok wij noemden dat altijd hengelen. Het gebeurde wel eens als de collectezak al hengelend langs kwam dat er een uit baldadigheid de zak even vast hield, wat natuurlijk onmiddellijk ter plekke afgestraft werd door een boze blik gevolgd door een opvoedkundige tik van een van beide ouders; wat dan ook weer voor de nodige opschudding zorgde. Thuis gekomen werd dan een en ander nog even geëvalueerd met diverse vermaningen als gevolg.

En zo waren er altijd wel gebeurtenissen waar mee je als jongere de lange kerkdiensten door kwam, maar zoals gezegd, op zondag twee keer anderhalf uur in de kerk en daar tussendoor nog naar de knapenvereniging, waar je bij beurt ook nog een inleiding over een bijbels onderwerp moest maken was wel héél veel van het goede. Het genomen besluit van de kerkenraad vóór de tijd dat prof. Rutgers er zijn oordeel over had uit gesproken zou ook bij ons jongeren van toen, in overdrachtelijke zin zeker in goede aarde gevallen zijn.

Wordt vervolgd.                                                               Henk de Bruin.