Kerk kroniek - deel 17 - Zondigen tegen het 7e gebod
Geschreven door Henk de Bruin   

Op de kerkenraadsvergadering van dinsdag 31 juli 1900, waarbij ook twee kerkvisitatoren aanwezig waren, te weten ds Berends en ds Vonk, werd door de scriba opgetekend: "Ds Nieborg brengt in het midden hoe te handelen met een lidmate der Kerk die in onkuisheid staat met een persoon van de Hervormde Kerk met wie zij binnen weinig tijds in het huwelijk treedt, en uit die onkuise toestand een kind wordt geboren, waar zij den doop voor vraagt in de Geref Kerk. Ds Vonk beweert dat de moeder van het kind, vóór het de doop ontvangt, haar schuld in de gemeente moet belijden. Zo niet, dan kan het kind niet gedoopt worden. Ds Berends wijst aan, is het een kind uit het zaad der kerk, dan moet het gedoopt worden. Doch de moeder mag zonder vooraf schuld te belijden op de doopvragen niet antwoorden. Dan treedt een naast bestaande van de moeder of de kerkenraad als doopgetuige op." 

Ook al in het jaar 1901 zocht men naarstig naar een aanpassing van het huwelijksformulier zoals blijkt uit een verslag van 29 maart 1901. "Ingekomen het rapport van: “de commissie geroepen tot onderzoek” aangaande te Maassluis tot kerkelijke bevestiging eener onderwijzer der openbare school met een dooplid der Geref Kerk. Om verschillende redenen meende de kerkenraad aldaar de Kerkelijke inzegening niet te moeten weigeren, en adviseren de Deputaten deze niet als ongeoorloofd te beschouwen, maar verbinden er tevens aan, dat er van de classis naar de Prov Synode, en door haar naar de Gen Synode, een verzoek uitgaat om het tegenwoordige Huwelijks formulier te wijzigen en zodanig in te stellen dat het passend is bij de vele voorkomende gevallen in onze kerkelijke verhoudingen in de tegenwoordige tijd."

Overgaan van de Gereformeerde Kerk naar een andere kerk of geloofsgemeenschap door bijvoorbeeld een huwelijk of om welke andere reden dan ook, was zeker in die jaren in de meeste gevallen absoluut onacceptabel. Hoe men hier toen mee omging illustreert nog eens de onderstaande beschrijving van 30 augustus 1901: ”Een ingekomen stuk gelezen, verzonden door de kerkenraad van s’Gravenzande dat Johanna Maria Str---- niet meer tot de Gereformeerde Kerk wil behoren en tot de Herv Kerk is overgegaan. Hierover wordt haar door de Gereformeerde kerkenraad van Bleiswijk een bericht gezonden met vermaan, dat zij zeer van s’Heeren Woord is afgeweken en dat de Heilige Schrift daar tegen op komt, dat zij de weg weet en niet bewandeld en niet voorspoedig zal zijn, en dat zij dat wel mag overdenken.”

   

Maar iemand die als lid van de Herv Kerk ”over wilde komen” naar de Geref Kerk werd ook met woorden van soortgelijke strekking benaderd, zoals hier beschreven: “Verslag gedaan van een bezoek bij de fam Z------ aangaande diens dochter Anna Maria die haar begeerte heeft te kennen gegeven als lid de Herv Kerk te verlaten en zoodanig zich te begeven tot de gemeenschap der Geref Kerk. Bij het bezoek is haar gevraagd wat hiervan de oorzaak was en of zij afging van een opgewonden toestand of van een oogenblikkelijke opwelling, of uit de overtuiging dat s’Heeren Woord dit gebied met bijvoeging: “de Heere hoort wat u zegt en als u denkt ik zal later terug keren, doet het dan niet”. Zij betuigde dat zij zich bij de Geref Kerk moest voegen en uit overtuiging handelt. Daarna is aan haar de 2de vraag van het Doopformulier ter beantwoording gelezen, en is door haar toestemmend beantwoord. De praeses brengt in het midden of de broeders zich hiermee kunnen vereenigen en dit wordt alzo besloten.” De zondag daarop werd de gemeente hiermede in kennis gesteld.

   

En dan wat de schuldbelijdenis betreft i.v.m. de overtreding tegen het 7de gebod nog het volgende: we maken een sprongetje in de tijd en kijken even naar deze problematiek zo’n 50 jaar later. In de eerste jaren na de oorlog, zeg maar van af 1950 tot ±1965 kwamen er nogal wat gedwongen huwelijken voor, ook in Bleiswijk. En als men dan toch in de kerk wilde trouwen, wat toen zeker nog een vanzelfsprekende gebeurtenis was, dan was het ook noodzakelijk dat er schuldbelijdenis werd gedaan voor de kerkenraad en bij de afkondigingen aan de gemeente op zondag, werd daar nog eens uitgebreid melding van gemaakt. Men had immers in onkuisheid geleefd en daardoor gezondigd tegen het 7de gebod. Velen hebben (het schuld belijden in het openbaar) toen dan ook ervaren als een afschuwelijk en vernederend gebeuren en was het voor sommigen misschien wel een keuze om dan toch maar niet in de kerk te trouwen. Maar omdat de woningnood heel hoog was in die jaren en er bijna zeker geen woning beschikbaar was voor jong getrouwden, ’trok’ men soms in bij de ouders, wat de druk om schuldbelijdenis te doen ook nog eens extra verhoogde.

Als het paar dan ook nog tot verschillende kerkgenootschappen behoorde, bijvoorbeeld Herv/Geref, kwam er nog een probleem bij en het laatste was soms nog erger dan het eerste.

   

Samenvattend zou je kunnen zeggen dat er in deze 50 jaar voor wat betreft de zonde tegen het 7de gebod niets of niet veel veranderd was. Gelukkig leven we nu in een tijd waar deze problemen bijna niet meer aan de orde zijn.

 

Wordt vervolgd.

Henk de Bruin.