Kerk kroniek - deel 15 - Aanbod en tegenbod
Geschreven door Henk de Bruin   

De komende kerkenraadsvergaderingen staan in het teken van aanbod en tegenbod van het kerkgebouw en het huis van de hoofdonderwijzer dat door de eigenaren te koop aangeboden werd. (Ik heb er in het vorige stukje al iets over geschreven.) Men heeft vooraf een deskundige laten onderzoeken of er op korte termijn grote reparaties te verwachten waren wat natuurlijk het koopbedrag zou kunnen beïnvloeden maar dat lijkt allemaal in orde want daar wordt verder niets over vermeld. In een gezamenlijke vergadering van kerkenraad en schoolcommissie kwam men tot een afspraak om een bod uit te brengen van f 1500,- voor het kerkgebouw en voor het woonhuis ook f 1500,- wat dan voor rekening van de schoolcommissie zou komen.

De eigenaren, waarvan er ook enkelen lid waren van de kerkenraad gingen na enig beraad wel akkoord met het totale bedrag van f 3000,-, maar vonden de verhouding onevenredig en stelde voor om f 1000,- voor de kerk en f 2000,- voor het huis en schoolgebouw te berekenen; maar ook dit voorstel haalde het niet. Er werd ook nog een voorstel door de eigenaren gedaan om de kerk voor f 1400,- te verkopen en de school vereniging zou dan het huis voor f 1600,- moeten kopen, maar na nog verschillende andere mogelijkheden besproken te hebben komt men uiteindelijk tot dit besluit, de scriba schrijft: "Om kerk en ’t huis over te nemen voor f 3000,-gulden tegen een rente percentage van 4% met een aflossing van f 750,- gulden per jaar van de hoofdsom aan de hypotheekhouders. Dit laatste voorstel werd aangenomen met 24 van de 27 stemmen, zodat de Gereformeerde Kerk eigenares werd van de kerk en huis met de grond."'Het huis van de hoofdonderwijzer was zeker voor die tijd een statig huis, uit de vaderlandse geschiedenis weten we dat het ook nog tot woonhuis of pastorie voor de remonstrantse dominee Henricus Slatius is geweest, die beschuldigd werd in een complot te zitten voor de moord op Willem van Oranje in 1584. Terwijl de kerk aan de buitenkant niet of nauwelijks herkenbaar was als zodanig; men noemde het daarom ook wel schuur of schuilkerk. In die jaren was dat niet zo’n vreemd verschijnsel, de dolerenden moesten de eerste jaren voor de Erediensten immers genoegen nemen met gebouwen die uiterlijk weinig met het predikaat van kerk te maken hadden.

Opvallend is wel dat er maar 27 stemhebbende leden op deze vergadering aanwezig waren om te beslissen over dit toch belangrijke gebeuren. Maar gezien de financiële verplichtingen die in korte tijd waren aangegaan, denk aan traktement van de predikant, de pastorie, het huis van de hoofdonderwijzer en de kerk, moet het aantal leden behoorlijk zijn toegenomen. Er is al over een lange periode geen ledenopgave meer gedaan maar een batig saldo van de kerkelijke kas van f 89,76 aan het eind van het boekjaar doet dit vermoeden toch wel staven. Twee mogelijkheden kunnen m.i. daarom de geringe opkomst verklaren. Ofwel de algemene lauwheid in de kerkelijke gemeente wat ds Nieborg al geconstateerd had, is hier debet aan, of er was een groepje kerkleden die over voldoende financiële middelen beschikten en daardoor meer stem in het kapittel dachten te hebben en zodoende ook de 'dienst' uit wilden/konden maken. (De financiële verplichtingen zouden immers alle kerkleden raken.) En misschien is het wel een combinatie van beiden. Inmiddels heeft de kerkenraad besloten om elke maand in de notulen op te nemen dat het traktement aan ds Nieborg is betaald. Meestal worden de zaken die op de kerkenraadsvergaderingen besproken zijn met zorgvuldig gekozen bewoordingen door de scriba beschreven. Maar een enkele keer gaat het even anders zoals ik tegenkwam in de notulen van 2 mei 1900. De scriba schrijft: ”Ingekomen een circulaire namens het bestuur van ‘s Heerenloo (zorgcentrum voor mensen met een verstandelijke beperking) om financiële steun voor het gesticht van de vereeniging uitgaande tot opvoeding en verpleging van idiote en achterlijke kinderen aldaar met het overzicht van de toestand van het Suppletiefonds en besloten dat de Diakonie Kas hier jaarlijks f 2,- voor zal afzonderen ter opzending.” De scriba schrijft dat de notulen van de voorgaande vergadering zijn goedgekeurd behoudens een kleine wijziging. Het is begrijpelijk dat die kleine wijziging bovenstaande beschrijving betreft.

En dan de koster, ja die moest zijn veelomvattende werk wel voor een heel klein beetje blijven verrichten. Hij diende daarom een verzoek in bij de kerkenraad of hij het schoonmaken van de kerk voor het loon van f 6,-gulden per jaar kon blijven doen maar vraagt zich daarbij af, of dit wel een loon genoemd kan worden en verzoekt daarom dat bedrag wat te verhogen. De kerkenraad is onvermurwbaar en deelt hem daarbij mede dat hij het werk inderdaad mag blijven doen echter zonder verhoging van het loon. Omdat de koster in die tijd ook het voorlezen voor zijn rekening nam, werd hem hier ook nog f 10,- per jaar voor betaald. De koster neemt hier geen genoegen mee, we lezen bij punt 7 van de agenda: “Br J. van Mazijk in de vergadering gekomen zijnde brengt opnieuw zijn verzoek in tot verhoging van zijn loon voor zijn diensten in het kerkgebouw als voorlezer en het schoonhouden en beweert dat hem jaarlijks f 25,- gulden toekomt. Dat in overweging komende neemt de Kerkenraad het besluit daar niet op in te gaan, doch het gewone loon aan hem te voldoen hetwelk aan br van Mazijk is meegedeeld.'' Hoewel Kosters in de 16e en 17e eeuw over het algemeen wel mensen van enig aanzien waren, zij gaven veelal ook onderwijs op de lagere scholen, werden zij in de jaren hierna gedegradeerd en sterk ondergewaardeerd en waren eigenlijk een goedkoop manusje van alles geworden. Zij hadden daarbij ook nogal wat kritiek van de kerkgangers te verduren. Een van die kritiekpunten was het verwarmen van de kerkzaal in de winter, dat moest gebeuren door middel van een kolenkachel die dan meestal in het midden van de kerk stond, de mensen die er omheen zaten hadden het erg warm en die er een eindje bij vandaan zaten veel te koud. De dichter Jac. Lelsz schreef “Een gebed voor de koster”; ik trof het aan in “Gereformeerd Weekblad”.  

“Gedenk hem speciaal;
hij is een mens met zonden.
En zwarten voeten worden Heer,
ook in Uw huis gevonden.
Geef hem een vrolijk hart als hij
de vloer moet kuisen, de lange matten klopt
en boent op de plavuizen.
Hoed bovenal zijn ziel;
een koster moet óók sterven.
Hij is een dunne vaas;
zo licht valt hij in scherven.” 
Wordt vervolgd, Henk de Bruin.