Kerk Kroniek - deel 10 - Arminiaansche gevoelens
Geschreven door Henk de Bruin   

Omdat het aantal broeders die de kerkenraad konden vertegenwoordigen heel beperkt was, (Het ging steeds maar om 6 of 7 broeders) die om de twee jaar aftredend waren en zich ook weer herkiesbaar moesten stellen, werd de kerkenraad over een zeer lange periode vertegenwoordigd door dezelfde mensen. En dan blijkt dat bepaalde meningen en gevoelens kunnen gaan domineren, waardoor er een verwijdering in de gelederen kan ontstaan. Waarschijnlijk ook o.a. hierdoor ontstond er een verschil van inzicht en beleving in een theologische opvatting van 2 ouderlingen en de overige kerkenraadsleden. We lezen dan in de notulen van een buitengewone vergadering: ''Deze vergadering stemde tot hartelijke droefheid en gaf stof tot bittere treurigheid. De broeders J. N--- en D. van T--- hadden in de loop dezes week een schrijven aan de kerkenraad gezonden waarin zij berichtten dat zij ophielden leden der kerkenraad te zijn. De reden hiervan lag in een verschil met de overigen kerkenraadsleden omtrent de opvatting en de toepassing van de leer des Doops. Na de broeders voornoemd gewezen te hebben op het zondige en onschriftuurlijke van hun besluit om uit het ambt te treden, en hen verzocht te hebben op hun besluit terug te komen en na onderscheidene ernstige besprekingen, verklaarden zij evenwel in hun besluit te blijven volharden en de gemeente voortaan niet meer te dienen. Met droefheid was de kerkenraad genoodzaakt hun ontslag te aanvaarden''.

Wat het verschil van opvatting en toepassing 'van de leer des Doops' voor deze twee ambtsdragers met de andere kerkenraadsleden precies inhield en hoe ver dit ging, heb ik niet kunnen achterhalen want daar wordt verder weinig over geschreven. Maar zij werden ook nog eens beschuldigd van 'Arminiaansche en verderfelijke gevoelens te zijn toegedaan!’ Hierdoor wordt duidelijk dat deze gevoelens gebaseerd waren op de leer en het gedachtegoed van Arminius. Om die beschuldiging te kunnen begrijpen moeten we even terug in de tijd naar het begin van de 17de eeuw. Er was toen een theologisch leerconflict ontstaan over o.a. uitverkiezing en het gezag van de belijdenisgeschriften tussen de twee Leidse hoogleraren Franciscus Gomarus (volgelingen van deze leer werden contra-remonstranten of preciezen genoemd) en Jacobus Arminius (volgelingen hiervan werden remonstranten of rekkelijken genoemd). De leer van Arminius houdt kort samengevat in dat de mens een vrije wil heeft om God te zoeken, dus eigen verantwoordelijkheid in de relatie tot God. De leer van Gomarus is meer gebaseerd op de uitverkiezing door God. De gereformeerden voelden verwantschap met de leer en het gedachtegoed van Gomarus) en daarom werden deze gevoelens van de twee ouderlingen in welke vorm dan ook binnen de kerkenraad niet getolereerd. Jacobus Arminius was immers een vrijzinnige theoloog en o.a. hierdoor was ook de doleantie ontstaan. Dus alles wat maar enigszins in die richting wees was 'uit den boze'.

 

Jacobus Armenius                                                 Franciscus Gomares

 Jacobus Arminius

 

 Franciscus Gomarus

Het zou te ver voeren om hierover in dit stukje dieper in te gaan. Maar die beschuldiging van de twee ambtsdragers dat zij 'Arminiaansche en verderfelijke gevoelens waren toegedaan'. stond dus haaks op de leer en het gedachtegoed van Gomarus. Het was daarom nogal een forse beschuldiging, hierdoor was er voor hun, begrijpelijkerwijs reden genoeg om geen lid meer van de kerkenraad te willen/kunnen zijn. Zij konden als zodanig niet meer functioneren en het probleem was voor de kerkenraad te groot geworden om er zelf een goede oplossing voor te vinden. Daardoor was het een slepend conflict geworden want het zou wel tien maanden duren voordat samen met de kerkvisitatoren het een en ander besproken kon worden. Er was zelfs gevraagd of het mogelijk zou zijn om de beide broeders onder de eerste trap der censuur te stellen, waarvan het gevolg zou zijn dat zij van het Avondmaal des Heeren geweerd konden worden. Het kon dan ook niet anders dan, dat er samen met de visitatoren een uitweg gezocht moest worden in deze moeilijke situatie waarin de kerkenraad terecht was gekomen.

 

Waarop tenslotte door één van de visitatoren bij monde van Ds Mulder uit Maassluis het volgende werd gezegd: “Dat onze voorvaderen zeer voorzichtig zijn geweest in het opleggen der censuur uit dien hoofde, dat iemand wel Arminiaansche gevoelens kan zijn toegedaan, zonder daarom een Arminiaan te zijn en dat bij gevolg de censuur niet dadelijk kan en mag worden toe gepast op enkele afwijkende gevoelens, indien overigens handel en wandel onberispelijk zijn!” Door deze fijnzinnige manier van benaderen wist men het conflict op te lossen en konden de broeders blijkbaar, gelukkig weer met elkaar door één deur. Dat hier wijze en vooral verzoenende woorden voor beide partijen gesproken zijn, blijkt uit het feit dat na enige tijd de beide broeders weer in de kerkenraad aanwezig waren en één ervan zelfs het voorzitterschap op zich genomen had. En zo was er aan een langslepend en moeilijk theologisch conflict binnen de kerkenraad, een goed einde gekomen.

   

Wordt vervolgd, Henk de Bruin …