Kerk Kroniek - deel 7 - Complexe zaken
Geschreven door Henk de Bruin   
Goed besturen maar ook veel vermanen vergden veel energie van de zeven kerkenraadsleden. Soms ging het om vloeken op de openbare weg, wat 'ter ore' gekomen was en waarbij de desbetreffende persoon zich moest verantwoorden. Dan had men op de zondag een dooplid naar de plaatselijke herberg zien gaan en hier moesten twee ouderlingen voor op pad om deze persoon aan te spreken op zijn ongeoorloofde gedrag. Het ging ook eens over een probleem wat met het betrappen op overspel te maken had en dit leverde vanzelfsprekend veel consternatie op in zo’n klein dorp wat Bleiswijk toen nog was. De pas ontstane kerk werd toch al door de omgeving met 'argusogen' bekeken en dan dit schandaal, het kon bijna niet erger, en reken maar dat deze persoon 'zeer ernstig vermaand is'. Over de vrouw die wellicht ook bij het overspel betrokken was  wordt vreemd genoeg niets anders vermeldt dan alleen haar naam, maar de man werd onder de censuur gesteld, wat inhield dat hem de toegang tot de sacramenten ontzegd werd. En, volgens de beschrijving, ontroerd de kerkenraadskamer verliet, En dan was daar een broeder die de doop had aangevraagd voor een kind van zijn dochter 'hetwelk in ontucht geboren was'. Toen die broeder aangaf zelf de verantwoording te nemen voor het kind en het ook zelf ten doop te houden, waren hierdoor bij de kerkenraad (na overleg met de consulent ds. A. van Veelo) alle bezwaren om het kind te laten dopen weggenomen.

Er was ook nog een broeder die zijn kinderen naar de staatsschool (openbare school) liet gaan, ook dit was natuurlijk onaanvaardbaar en moest gepaard gaan met enig vermaan. Het ging ook dikwijls om het verzuimen tot het bijwonen van de openbare godsdienst oefeningen, een overtreding van het 4de gebod, wat heel zwaar werd aangerekend. Kerkgang behoorde onuitwisbaar bij de zondagsheiliging, daar was geen misverstand bij mogelijk. De vermaningen konden hierdoor soms  wel heel heftig zijn. De kerkvisitatoren hebben de leden van de kerkenraad daarom ook wel eens 'op de vingers getikt' en nadrukkelijk verzocht: om de 'ongehoorzamen' toch vooral ook met zachtmoedigheid te behandelen.  En af en toe ging het om zaken die voor de kerkenraad te complex en schijnbaar onoplosbaar waren en daarom beter het oordeel en vermaan aan de kerkvisitatoren kon overlaten. Zoals mij opviel in een notulenverslag van 7 juni 1891;  Een diaken geeft op zondagavond in zijn huis tijdens het uur van de openbare godsdienstoefening, leiding aan een jongelingsvereniging en zij kunnen dan natuurlijk niet in de kerk aanwezig zijn, wat ook weer te maken heeft met de zondagsheiliging. De kerkenraad maakte daar ernstig bezwaar tegen, maar de diaken ziet er zelf geen kwaad in en gaat hier toch mee door. Als hij na ernstig vermaan dan nog blijft volharden in zijn standpunt: 'moet hij omdat hij op 'de verkeerde weg is, het ambt van diaken neerleggen', aldus het oordeel van de visitatoren, waarna de diaken verklaart: 'dat hij niet voornemens is aan het 'bevel' der visitatoren gehoor te geven!'. Er blijft dan eigenlijk niets anders over dan het probleem op te schuiven naar een volgende vergadering waar nogmaals gewezen wordt op het onaanvaardbare van zijn gedrag, waarna de diaken uiteindelijk de redelijkheid inziet 'en zijn mening laat varen'. De scriba schrijft soms na het oplossen van een probleem de woorden: 'De Heere make onze gangen en treden vast in Zijn Woord!'.

En er komen ook zaken voor die weer een heel ander inzicht van de kerkenraad vragen, zoals beschreven is in een kerkenraadverslag van 10 april 1892.( Ik neem het verslag in zijn geheel over met het taalgebruik uit die tijd); 'De broeders diakenen delen mede dat broeder L--, tijdens zijn ziekte, uit de diaconie kas ondersteuning heeft ontvangen. Dat voornoemde broeder hun had voorgesteld zijn woonhuis, belast met ene hypotheek ten bedrage van f 1400,-  aan de diaconie ten geschenke te geven, onder voorwaarden, dat de diaconie hem zoo noodig, levenslang bedeelde en hij in zijn huis kon blijven wonen. Aan zijn zoon zou ook nog moeten uitgekeerd worden het bedrag van diens overleden moeder. Besloten wordt, dat ene commissie bestaande uit drie broeders, deze aangelegenheid nader met voornoemde broeder zou gaan bespreken.'

Bij de  eerst volgende vergadering lezen we dan bij agendapunt 2. Het rapport van de commissie, die broeder L-- bezocht luidt: 'dat de zoon van voornoemde broeder L het eigendomsrecht op zijn vaders eigendom afstaat aan de diaconie der Gereformeerde Kerk alhier'. Met zes stemmen voor, en één onthouding wordt besloten het eigendom van broeder L-- over te nemen. Dan wordt deze kerkenraadsvergadering  beëindigd met een afsluit mededeling die luidt als volgt: 'na nog enkele zaken het welzijn der gemeente in het algemeen aangaande besproken te hebben wordt de vergadering met dankzegging gesloten'.
Eind goed – al goed, gelukkig maar.

Uit privacy overweging heb ik de namen en eventuele  aanknopingspunten van de voorkomende personen en situaties in dit stukje achterwege gelaten.

Wordt vervolgd.                                                               Henk de Bruin.