Kerk Kroniek - deel 6 - Meester Mulder
Geschreven door Henk de Bruin   

Op de kerkenraadsvergadering van 28 juli 1888 werd een brief van meester Mulder voorgelezen, gericht aan de deputaten, om toegelaten te worden als 'oefenaar of wel leerend ouderling in de Classe'. Meester Mulder moet een toegenegen en integer persoon geweest zijn, want in deze vergadering wordt hem door de kerkenraad, voor het bedanken; ('voor een aanzoek van de gemeente des Heeren te Kamerik om zich te laten onderzoeken naar art: 8 der Dordtsche Kerkenorde en om dan na welslagen, als leeraar dier gemeente op te treden'), een jaarlijkse toelage van f 250,- toegekend met ingang van 1 juli 1888. Er was hem in een eerder gehouden vergadering ook al een gratificatie van f 50,- verleend voor het houden van het catechisatie onderwijs.

Meester Mulder was eigenlijk de spil waar alles om draaide in deze eerste jaren. Hoofdzakelijk op zondagmorgen hield hij een preek, (‘s avonds was het meestal preeklezen) gaf veelal leiding aan de kerkenraadsvergaderingen en had ook enkele groepen (meisjes en jongens apart) in verschillende leeftijden onder zijn hoede voor catechetisch onderwijs en had nota bene ook nog een drukke baan als hoofdonderwijzer. De overige kerkenraadsleden zullen zich zeker gelukkig geprezen hebben met deze werklustige bekwame man, maar toch zou de waardering niet heel lang duren, zoals zal blijken, maar daar kom ik later nog wat uitgebreider op terug. Ik sprak eens iemand die jaren achtereen lid van een kerkenraad was geweest, waarbij hij de opmerking maakte ‘s avonds bijna nooit thuis te zijn geweest'. Dat was bij de eerste kerkenraadsleden zeker niet anders want, wat te bedenken van elke 2 weken een kerkenraadsvergadering, waarvan nog al eens opgetekend werd dat 'het uur van samenzijn ver voorbij was'. En de viering van het Heilig Avondmaal, een gebeurtenis waar heel veel aan vooraf ging, want er moest een predikant gevonden worden, die de hele dag beschikbaar was, corresponderen ging alleen per brief. De verbinding van het openbaar vervoer was slecht. En alle lidmaten moesten van te voren thuis bezocht worden om te kunnen vaststellen dat er 'niets was overeenkomstig het aangaan aan den Heiligen Disch' zoals het Heilig Avondmaal in die tijd genoemd werd.

Er moest ook veel tijd besteed worden aan het verkiezen van ambtsdragers die om de twee jaar aftredend waren, en door de kleine bezetting zich ook weer herkiesbaar konden / moesten stellen. En als er een gekozen lidmaat meende dat hij zomaar kon bedanken voor het ambt, werd hij verschillende malen door twee ouderlingen bezocht om zich nog te bezinnen en uiteindelijk op de kerkenraadsvergadering ontboden om z’n weigering nader toe te lichten. 'De Classe' te Rotterdam (of classis zoals wij het nu noemen) moest ook door een of twee afgevaardigden met regelmaat bezocht worden, en hiervan moest natuurlijk ook weer nauwkeurig verslag worden gedaan. En de armoede (ik schreef het al eerder) het bleef een steeds weer terugkerend groot probleem, in bijna alle verslagen wordt er melding van gemaakt. Er moest regelmatig met een intekenlijst langs de lidmaten gegaan worden om het tekort weer aangevuld te krijgen.

Zo las ik in een van de notulen dat besloten was om een gezin wat in 'groote armoede verkeerde' met een wekelijkse financiële bijdrage van f 1,50 te ondersteunen en een blinde zoon van de wed. de Groot, f 0,50 cent per week te schenken. Even ter vergelijking, een landbouw arbeider verdiende in die tijd wekelijks f 6,50 en de huishuur was gemiddeld f 1,50 per week en geen werk om welke reden dan ook was geen inkomen. Dus de mensen konden met de ondersteuning van de diaconie de huishuur betalen en de rest van de week moesten zij dan maar van de wind leven en in het gunstigste geval misschien nog met een heel kleine bijdrage uit het burger- armenfonds.

De kerkenraadsleden waren zeker oprecht overtuigd en bewust van hun verantwoordelijkheden en hadden er veel voor over om alles goed en naar behoren te laten verlopen. Maar een oud spreekwoord zegt: ”Waar niets is, verliest zelfs de keizer zijn recht!”. Dat was hier in deze tijd wel schrijnend van toepassing. Een andere opvallende zaak in die jaren is, dat er voor vrouwen geen kiesrecht bestond, maar nog opvallender is eigenlijk dat ze op andere kerkelijke zaken ook helemaal geen invloed hadden. Hun rol in het kerkelijk leven was echt alleen maar beperkt tot een kerkgangster, die thuis ingeschakeld was bij de godsdienstige opvoeding van de kinderen. Gelijkstelling van man en vrouw werd beschouwd als strijdig met het christelijk geweten. En als er al over een vrouw gesproken werd was het alleen maar met de aanduiding, (de huisvrouw van die of die broeder). Maar wat zouden de vrouwen met hun specifieke eigenschappen een voortreffelijke schakel geweest zijn bij de problemen van toen, maar ja we moeten ons dan tegelijkertijd wel realiseren dat, daar nog heel wat over te doen zou zijn, het zou nog 64 jaar zou duren, pas in 1952 kregen de vrouwen het actieve kiesrecht in de Gereformeerde kerken.

                                                                                                 Wordt vervolgd ...